BlinfoTec

Informatie voor computergebruikers met een visuele handicap.


Inhoud| Zoeken| Nieuws| BlinfoTalk| bijdragen| Contact


Enquête: Rapportage

Naamgeving

In dit rapport gebruiken we de afkorting van het Engelse Visually Impaired Person (VIP) om aan te geven dat we het hebben over blinden, slechtzienden, visueel gehandicapten, anders validen, mensen met een visuele functiebeperking, mensen met een leeshandicap of wat voor namen er nog meer in de omloop zijn voor onze doelgroep.

Aantal VIP's in Nederland

Al jarenlang wordt het getal 625 duizend gehanteerd om aan te geven hoeveel VIP's er in Nederland zijn. Dit getal kwam tevoorschijn na een onderzoek uit 1998 door W.B.A.M. Melief en K.A. Gorter: Slechtzienden en blinden in Nederland. Deelrapport I: Aantallen en kenmerken, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht (VJ-rapport).

In 1998 woonden er 15,3 miljoen mensen in Nederland. Dat zou het percentage VIP's op iets meer dan 4% brengen. In de ons omringende landen wordt het aantal VIP's op 1 tot 2% van de bevolking geschat. Kijken we naar de cijfers van de European Blind Union (EBU), dan vinden we een gemiddelde van 1,1%. In Amerika ligt dit percentage weliswaar hoger: 2 tot 3% maar het is desondanks niet aannemelijk, dat het aantal VIP's in Nederland aanzienlijk hoger zou zijn dan in vergelijkbare Europese landen.

Recentelijk lazen we in een persbericht het volgende: "Onder leiding van prof.dr. Jan Keunen, hoogleraar oogheelkunde aan het UMC St Radboud, zijn gegevens uit diverse bevolkingsonderzoeken gecombineerd. Keunen en zijn collega's komen tot de slotsom dat in Nederland naar schatting tussen de 220.000 en 320.000 mensen slechtziend of blind zijn."

Drie jaar geleden rekende Prof. dr. G.H.M.B. van Rens in zijn oratie 'Meten met twee maten', uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de Oogheelkunde aan de Faculteit der Geneeskunde van de Vrije Universiteit te Amsterdam uit, dat 1 tot 2 % van de volwassen Nederlandse bevolking slechtziende of blind zou zijn. Bij kinderen zou de prevalentie veel lager liggen, op 0,1 tot 0,2%. Het feit, dat van Rens zich onder andere baseert op het VJ-rapport geeft aan, dat onderzoeksresultaten voor meerdere interpretaties vatbaar zijn.

Het zou kunnen zijn, dat men in 1998 er van uitging, dat een extra hoge schatting gunstig was voor de doelgroep. Het is echter realistischer om, gezien het bovenstaande, uit te gaan van een aandeel van 1,5 tot 2,5% Nederlandse VIP's.

Dit zou anno 2005 betekenen, dat de doelgroep bestaat uit gemiddeld 2% van 16,3 miljoen is 326 duizend VIP's. De aanname van (gemiddeld) 0,15% jeugdigen levert in 2005 een aantal van 24450 op. Zo'n 10% van deze groep zou in aanmerking komen voor speciaal onderwijs. Dit lijkt aannemelijk.

Dit gezegd hebbende moet onmiddellijk gesteld worden dat er globaal geen concensus bestaat over wat dient te worden verstaan onder 'blind' en 'slechtziend'. Verschillende landen hanteren verschillende definities, wat het vaststellen van het juiste aantal VIP's bijzonder moeilijk maakt. Dat registratie geen uitkomst biedt blijkt uit het feit, dat het Royal National Institute for the Blind (RNIB) in Engeland al in 1989 vaststelde, dat het aantal geregistreerde VIP's waarschijnlijk slechts een kwart van de werkelijke groep uitmaakte. Opvallend is ook, dat in de UK registers het aantal 'blinden' bijna gelijk is aan het aantal 'slechtzienden', terwijl er globaal van wordt uitgegaan, dat 'blinden' zo'n 10% van de totale groep VIP's uitmaken.

Gebruik van het internet.

Een groot aantal formulieren bereikte ons via het Wereld Wijde Web (volledig internet gebruik, 55,1%) en per e-mail (gedeeltelijk internet gebruik, 12,8%). De overige formulieren werden tijdens de ZieZo beurs verzameld (mondeling, geassisteerd, 32,1%). De toegang tot het internet van VIP's heeft dus zijn stempel gedrukt op de resultaten van de enquête.

Aangezien de groep e-mail respondenten aangaf deze methode te prefereren omdat men meende geen toegang te hebben tot het Wereld Wijde Web, en aangezien het WWW de informatiebron van het internet is, hebben we ervoor gekozen om deze groep bij de zogenaamde 'off-line' respondenten' in te delen. Op die manier ontstaan er twee populaties: On-line respondenten: 103 = 55,1%. Off-line respondenten: 84 = 44,9%.

Vergelijking van deze twee groepen zou aan kunnen geven, in hoeverre het 'internet-stempel' van invloed is bij deze methode van enquêteren.

Over on-line onderzoek zegt John Kivit, directeur van onderzoekbureau Multiscope: "Een veel gehoord bezwaar tegen on-line onderzoek is, dat de penetratie van internet te laag zou zijn. de penetratie van internet ligt inmiddels op zo'n 70% van de Nederlandse bevolking. Binnen sommige groepen, zoals jongeren, heeft al 90% toegang tot internet. Natuurlijk blijft de penetratie van internet nog achter bij die van traditionele onderzoekskanalen zoals telefoon en post, maar dit hoeft geen praktisch bezwaar te zijn. Via grote online panels kunnen ook groepen waarvan de penetratie achterblijft, zoals ouderen en allochtonen, in voldoende mate geselecteerd worden. Via prestratificatie kan ervoor gezorgd worden dat de selectie een afspiegeling is van de Nederlandse bevolking. Overigens hebben ook andere onderzoeksvormen last van een lagere participatiegraad van bepaalde bevolkingsgroepen, dus online onderzoek is wat dat betreft geen uitzondering."

"Door de anonimiteit van internet denken veel mensen dat respondenten geen serieuze antwoorden geven. In de praktijk baart deze factor ons juist de minste zorgen. Juist door de anonimiteit kunnen respondenten vrijuit antwoorden. De respons op bijvoorbeeld open vragen is veel beter dan ik ken uit telefonisch of schriftelijk onderzoek. Dat de respondent de enquête op een voor hem/haar geschikt tijdstip kan invullen heeft als belangrijk voordeel dat deze ook echt de tijd neemt voor het antwoorden en zich minder gehaast voelt. De huidige breedbandpenetratie ligt op ongeveer 50%. Dit is in het afgelopen jaar explosief gestegen en zal naar verwachting ook in het komende jaar snel groeien. Dit zal betekenen dat respondenten nog meer de tijd zullen nemen voor het invullen van enquêtes."

Demografie, on-line vs off-line

Als we de enquête resultaten uitsplitsen naar on-line en off-line respondenten, zien we dat het aantal mannen en vrouwen in de off-line groep precies gelijk is. Bij de on-line groep is het verschil in het voordeel van de mannen, met een toch aanzienlijk verschil van 24,2%. Bij de totale Nederlandse bevolking (TNB) was deze trend vijf jaar geleden zichtbaar, maar anno 2005 hebben de vrouwen de mannen ingehaald. Bij de ouderen onder de TNB zijn de vrouwen zelfs in de meerderheid.

Dat vinden we zelfs terug bij de leeftijdverdeling in de enquête. Vrouwen boven de 65 winnen het daar van de mannen met 3,3%. De on-line jongeren die de enquête invulden zijn in de meerderheid met 5,9% en het verschil tussen volwassenen is 74,8% off-line en 77,4% on-line respondenten, een verschil van 2,6%.

De internet-penetratiegraad van Nederlandse jongeren onder de TNB wordt gesteld op 90%. Met een internet-penetratie van 61% onder volwassenen betekent dat een belangrijke voorsprong van jongeren waar het om internetgebruik gaat. Opvallend is, dat bij VIP's het tegenovergestelde het geval lijkt te zijn. Wel moet worden vastgesteld, dat het lage aantal jongere respondenten (15) deze meting zeer onbetrouwbaar maakt.

Passen we de internet-penetratie van de TNB toe op de bevolkingsopbouw van de groep VIP's, dan is de te verwachten response voor jongeren, volwassenen respectievelijk ouderen: 21,6%, 37,8% en 40,6%. De enquête resultaten geven dan aan, dat de internet-penetratie bij ouderen beduidend lager ligt dan bij ouderen onder de TNB, een trend die we ook terugvinden bij onderzoeken van de 'American Foundation for the Blind'. Daar werd de internet-penetratie van oudere VIP's in 1999 nog geschat op 3%. En dat leidt dan weer tot de conclusie, dat het lage aantal jongeren die de enquête hebben ingevuld drie redenen kan hebben: de internet-penetratie onder deze groep is lager dan verwacht, de bereidheid om deel te nemen was gering of de groep is niet voldoende bereikt.

Bij de verdeling naar aard van de functiebeperking valt het op, dat het aantal slecht- en zeer slechtzienden vaker de off-line methode prefereerden, terwijl bij blinden een duidelijke voorkeur voor het internet valt te bespeuren. Dat je met zo'n voorkeur voorzichtig moet zijn waar het om huwelijks geluk gaat, blijkt uit het feit, dat bij de on-line respondenten 5,8% aangaf gescheiden te zijn, terwijl dat bij de off-line respondenten slechts in 2,4% het geval was.

Opleiding is een belangrijke factor bij de toegang tot internet. De enquête volgt deze voorspelling: naarmate de opleiding hoger is neemt het internet gebruik toe. De soort opleiding (intern, extern, met of zonder begeleiding) lijkt hier geen belangrijke rol te spelen.

De kleinere verschillen tussen on- en off-line respondenten bij de vragen over dagelijkse bezigheden en inkomen geven aan, dat het Nederlandse vergoedingsysteem naar behoren werkt. Waar in de Verenigde Staten internet toegang voor VIP's sterk afhankelijk is van een baan, en daarmee een inkomen, zien we in de enquête, dat deze trend slechts licht wordt gevolgd in Nederland. Met andere woorden: participatie aan de informatiemaatschappij is in mindere mate afhankelijk van de financiële situatie van een Nederlandse VIP.

De vraag over leesvormen levert geen schokkende resultaten op, alhoewel het hoge aantal diskette gebruikers opvalt. Terwijl er tegenwoordig steeds minder computers inclusief diskettestation worden verkocht, en iedere verkoper je zal vertellen dat een diskette nu niet bepaald het meest betrouwbare opslagmedium is, zien we dat 64,3% van de off-line respondenten aangeeft dit medium nog steeds te gebruiken. Bij de on-line respondenten zien we een iets modernere instelling, hier wordt de diskette nog door 44,7% gebruikt.

De DAISY speler is volop aanwezig in de huizen van de Nederlandse VIP's. Gemiddeld 81% van de respondenten heeft zo'n ding in gebruik. Ook de computer met spraak mag zich in een levendige belangstelling verheugen.

> Een groot aantal on-line respondenten maakt gebruik van de JAWS schermlezer software (39,8%) terwijl 22,3% de enquête on-line heeft ingevuld met hulp van SuperNova.

Tevredenheid, blind vs slechtziend

Om dit verhaal enigszins leesbaar te maken hebben we de mogelijke antwoorden die per beoordelingsvraag steeds hetzelfde waren in drie groepen verdeeld: 'Weet niet' blijft 'Weet niet', 'Onvoldoende' en 'Matig' zijn samengevoegd tot 'Ontevreden', 'Goed' en 'Uitstekend' betekenen 'Tevreden'.

De enquête stelde acht zogenaamde 'beoordelings' vragen. Drie daarvan hadden betrekking op onderwijs. De beantwoording van deze drie vragen geeft een duidelijk voorbeeld van de huidige 'ik' maatschappij. Een veel gehoorde reactie was: "Die vragen zijn op mij niet van toepassing, want ik zit niet meer op school." Met andere woorden: als het mij niet aangaat en ik neem er geen deel aan interesseert het me niet. Dit resulteerde in een gemiddelde score van 61% 'weet niet' antwoorden.

De hoop, dat als de groep jongeren een groter aandeel van de respondenten had uitgemaakt, dit een beter inzicht had opgeleverd in de opleidingssituatie, vervliegt grotendeels bij de vaststelling, dat het gemiddelde 'weet niet' percentage bij deze groep ook altijd nog op 28,9% uitkomt.

Het is derhalve onmogelijk om, op basis van de enquête resultaten, cijfers over de mate van tevredenheid bij het onderwijs aan VIP's te geven.

Kijken we naar de overgebleven vijf vragen, dan vinden we dat de beoordeling van de lectuurvoorziening, zeg maar de FNB, 41,2% ontevreden en 52,4% tevreden reacties oplevert.

Het oordeel over het Nederlandse webaanbod wordt net zo vaak met tevreden als ontevreden omschreven, maar over de toegankelijkheid van het internet is men meer uitgesproken: 69% is hiermee ontevreden, slechts 18,2% heeft er geen moeilijkheden mee.

Onze instanties doen het in de enquête qua informatievoorziening beter dan onze leveranciers. Van de eerste zegt 46% er tevreden mee te zijn, volgens 40,6% kan het nog beter. Bij de leveranciers vindt 59,4% dat verbetering welkom zou zijn, terwijl slechts 31% tevreden is met de informatievoorziening.

De 'tevredenheids barometer' voor informatievoorziening in het land der VIP's staat dus op 'veranderlijk'. 50,3% van de respondenten beoordeelt de dienstverlening op informatiegebied met onvoldoende of matig, 49,7% geeft goed of uitstekend aan.

'Slechtziend' vs 'Blind'

Het aanbod van lesmateriaal, lectuur en internet zijn drie belangrijke factoren bij de informatievoorziening van een VIP. De manier waarop een slechtziende met deze materie omgaat is anders dan de manier waarop een blinde dit doet. Als we de respondenten scheiden naar 'blind' en slechtziend', zien we, dat de enquête twee bijna gelijke groepen heeft opgeleverd: 51,3% heeft de keus voor '(zeer) slechtziend' gemaakt, 48,7% noemt zichzelf 'blind'. Dit is niet representatief voor de verdeling zoals we die onder VIP's verwachten (10% blinden vs 90% slechtzienden), maar levert wel makkelijk vergelijkingsmateriaal op.

Vergelijken we deze twee groepen met elkaar waar het om tevredenheid met bovengenoemde factoren gaat vinden we het volgende:

31,3% van de slechtzienden is ontevreden met het aanbod van lesmateriaal, tegen 39,6% van de blinden. Bij slechtzienden zegt 13,5% tevreden te zijn, blinden zijn dat in 13,2% van de respondenten. Het gestelde ten aanzien van de beantwoording van de onderwijsvragen is hier van toepassing.

Duidelijke verschillen treden op bij de beoordeling van de lectuurvoorziening. Van de slechtzienden geeft 31,3% aan ontevreden te zijn, blinden zijn dat voor 51,7%. De tevreden slechtzienden maken 60,4% uit, blinden slechts 44%

Ook over webtoegankelijkheid denkt men niet gelijk. Hier zijn 61,5% slechtzienden ontevreden tegen 77% blinden. Tevreden slechtzienden en blinden vinden we in respectievelijk 25% en 11% van de respondenten.

Gemiddeld zijn er dus meer blinden ontevreden dan slechtzienden als het om deze drie factoren gaat, respectievelijk 56% tegen 41,3%. Dit wordt bevestigd door de tevredenheid van blinden tegenover slechtzienden, respectievelijk 22,7% tegen 33%.

Conclusies, aanbevelingen

De methode

RMPRO Internet Services is de uitgever en host van www.blinfotec.org en www.challenge-media.com. RMPRO is geen bureau voor wetenschappelijk onderzoek, alhoewel basale statistische kennis aanwezig is. Wel beschikt zij over de technische middelen en knowhow om on-line onderzoek uit te voeren en dit onderzoek in off-line situaties mogelijk te maken. De 'Enquête over informatievoorziening onder mensen met een leeshandicap' was dan ook in eerste instantie een poging om dit vermogen aan te tonen. Gesteld kan worden, dat in technisch opzicht de enquête een succes is geworden en dat aangetoond is, dat deze kostenbesparende methode perspectief voor de toekomst biedt.

De toegepaste methoden (on-line invulformulier, per e-mail te retourneren vragenlijst en mondelinge afname tijdens de ZieZo beurs) heeft ons geleerd, dat de e-mail methode het minst valt te prefereren. Deze methode is tijdrovend en levert een hoog foutpercentage op (niet volledig ingevulde formulieren, ondanks de duidelijke instructie verkeerde manier van beantwoorden). Uit de nabespreking met de enquêteurs op de ZieZo beurs bleek, dat een betere voorbereiding en coördinatie tijdens de beurs voor een aanzienlijk hogere respons hadden kunnen zorgen. Om een meer representatieve groep te bereiken is een betere participatie van de regionale centra en belangenbehartigers van studenten en ouders van kinderen met een leeshandicap noodzakelijk. Samenwerking met organisaties zoals 'SeniorWeb' zouden het mogelijk maken om de groep ouderen beter te bereiken.

Wetenschappelijke begeleiding is aan te bevelen bij eventuele toekomstige onderzoeken. Van twee universiteiten (Erasmus en VU) ontvingen wij tijdens de voortgang van de enquête signalen dat daartoe bereidheid bestaat.

De gekozen periode van twee maanden rondom de ZieZo beurs blijkt een juiste keuze te zijn geweest. Pieken in de invulfrequentie waren zichtbaar na verzending van een groot aantal persberichten, na vermelding in de berichtenservice van SB-belang en na aandacht voor de enquête op 'Anderslezen.nl' en het tijdschrift 'Moet je horen'.

De toegepaste techniek maakte het mogelijk de voortgang van de enquête on-line op de voet te volgen. Resultaten zoals totalen en dwarsverbanden waren daags na het afsluiten van de enquête on-line beschikbaar en verzoeken om specifieke resultaten kunnen binnen 24 uur worden aangeleverd.

De resultaten

Wat als eerste opvalt is de lage participatie van de leeftijdsgroep tussen 0 en 25 jaar. Vervolgens zien we, dat de beantwoording van de drie vragen over onderwijs een zeer hoog 'weet niet' gehalte hebben. Dit leidt tot de conclusie, dat voortgezet onderzoek naar deze groep en dit onderwerp noodzakelijk is.

De toegepaste methode heeft er voor gezorgd, dat die groep die het meest in informatievoorziening is geinteresseerd zich via deze enquête heeft uitgesproken. Het demografische profiel dat daarvan het resultaat is voldoet aan onze verwachtingen.

187 respondenten hebben zich uitgesproken over hun mate van tevredenheid over informatievoorziening voor VIP's. In de beantwoording van de niet-opleiding gerelateerde vragen treden geen extreme verschillen op. En dat is precies wat ons zorgen baart.

Bij lectuurvoorziening geeft in totaal 52,4% van de respondenten aan tevreden te zijn. Dat is inderdaad een meerderheid. Maar elk zichzelf respecterend bedrijf zou bij dit tevredenheidspercentage de alarmklok luiden. Even iets meer dan de helft tevreden klanten betekent namelijk bijna de helft ontevreden klanten. En dat is veel te veel!

Ook uit de toegevoegde reacties blijkt, dat de informatievoorziening van de FNB als onder de maat wordt beschouwd. Het ontbreken van een toegankelijke catalogus (de laatste versie kwam in 2002 uit) is hier in belangrijke mate debet aan. Dat de FNB in alle talen zwijgt over de gang van zaken binnen de organisatie na de opschudding rondom het DAISY project geeft voeding aan de toenemende ontevredenheid over het functioneren van onze aangepaste lectuur leverancier.

De informatievoorziening door instanties zoals SB-Belang is de afgelopen tijd weliswaar verbeterd, maar ook hier geven de resultaten aan, dat het nog beter kan. De leveranciers komen er het slechts vanaf, hun informatievoorziening is ronduit beneden peil.

Dat het Wereld Wijde Web voor veel VIP's nog een brug te ver is, mag als bekend worden beschouwd, maar dat de keuze voor een bepaald hulpmiddel hier een rol speelt mag schijnbaar niet hardop worden gezegd. We laten het dan ook maar bij de opmerking, dat uit de enquête blijkt, dat het uiterst toegankelijke on-line formulier door 22,3% van de respondenten met SuperNova is ingevuld tegen 39,8% JAWS gebruikers. Inmiddels bereiken ons signalen, dat de internet-achterstand van SuperNova met de laatste versie grotendeels ongedaan is gemaakt. Dit is een verheugende ontwikkeling, al komt ze rijkelijk laat. Met de twee meest gebruikte schermlezers in Nederland nu beide in staat om het internet te ontsluiten hebben de meeste Nederlandse VIP's de gelegenheid om aan de informatiemaatschappij deel te nemen.

Een groot aantal VIP's geeft aan ontevreden te zijn over de toegankelijkheid van het Nederlandse web. Inspanningen om hierin verandering te brengen moeten worden voortgezet.

Het cursusmateriaal bij het VGMD project draagt bij aan de promotie en toegankelijkheid van informatievoorziening. Het ontbreken van een centrale helpdesk is echter een gemis. 60,4% van de ondervraagden geeft aan 'soms' hulp te kunnen gebruiken bij het inwinnen van informatie, 18,2% heeft deze hulp zelfs 'vaak' nodig. Dat aan zo'n helpdesk behoefte is, blijkt ook uit de toegevoegde reacties bij de enquête. Wat ook blijkt, en wat opvalt, is dat 74,3% van de ondervraagden aangeeft hier ook een financiële bijdrage aan te willen leveren.

Tenslotte

De prima relatie tussen internettechnieken en gegevensbestanden maken het mogelijk de verzamelde gegevens in een scala van dwarsverbanden weer te geven. Een aantal voorbeelden hebben we on-line gepubliceerd op deze website. Bestudering van deze voorbeelden geeft een uitgebreid inzicht in de resultaten van deze enquête. Het staat instanties en belangengroepen vrij van deze gegevens gebruik te maken. Verzoeken om specifieke queries kunnen worden gericht aan RMPRO Internet Services.

Geconsulteerde bronnen:

http://www.npg.org/popfacts.htm
http://www.pewinternet.org/PPF/c/2/topics.asp
http://www.afb.org/section.asp?Documentid=1367#content
http://www.internetworldstats.com/
http://www.rnib.org.uk/
http://www.euroblind.org/fichiersGB/summ.htm http://www.multiscope.nl/


Inhoud| Zoeken| Downloads| bijdragen| Nieuws
Disclaimer, Copyright ©2002 - 2009 RMPRO All rights reserved.
Naar Vorige Pagina