BlinfoTec |
Brief van staatssecretaris Medy van der Laan aan de vaste kamercommissie OCW.
1. Inleiding
Bij brief van 12 december 2003 (uw kenmerk: SC-03-57) heeft uw commissie aangegeven met mij een algemeen overleg te willen voeren over de bibliotheekvernieuwing. Het overleg is gepland op 24 juni 2004; de gevraagde schriftelijke toelichting heeft u separaat ontvangen (kenmerk MLB/LB/2004/23.434, d.d. 10 juni 2004). Aansluitend heeft u met uw brief van 6 mei (uw kenmerk: SC-04-18) aangegeven voorafgaand aan het overleg tevens een stand van zaken te willen ontvangen betreffende de reorganisatie van het stelsel van blindenbibliotheken zoals genoemd in mijn brief van 19 december 2003 (Kamerstuk 29 200 VIII nr. 110). Bij dit verzoek voegde u een lijst specifieke vragen, met het verzoek deze te willen beantwoorden. Naar aanleiding van het VPRO-radioprogramma Argos op 21 mei jl. heeft het lid Vergeer (SP) op 27 mei jl. aanvullende vragen ingezonden (kenmerk 2030.414.850). Op dezelfde dag hebben ook de leden Van Vroonhoven-Kok en Aasted Madsen-van Stiphout (beiden CDA) aanvullende vragen ingestuurd (kenmerk 2030.414.880). Met deze brief ga ik in op uw verzoeken en vragen met betrekking tot de blindenbibliotheken. Tevens neem ik de gelegenheid u te informeren over de reorganisatie van de tweede bijzondere bibliotheekvoorziening, die voor binnenschippers en zeevarenden. Deze brief heeft de volgende opbouw:
In een bijlage treft u de antwoorden op de gestelde kamervragen.
2. De bijzondere bibliotheekvoorzieningen
Bij de decentralisatie van het stelsel van openbare bibliotheken in 1987 zijn twee bijzondere bibliotheekvoorzieningen onder de directe verantwoordelijkheid van het Rijk, c.q. de staatssecretaris van Cultuur gebleven: die voor binnenschippers en zeevarenden en die voor blinden en slechtzienden. De redenen hiervoor waren verschillend van aard. Vanaf het begin is benadrukt dat de twee bijzondere bibliotheekvoorzieningen weliswaar op eigen wijze waren georganiseerd, maar voor het overige beschouwd moesten worden als onderdeel van het publieke bibliotheekbestel. Toch zijn de twee bijzondere bibliotheekvoorzieningen onvermijdelijk steeds losser komen te staan van het stelsel van openbare bibliotheken. Bij beide bijzondere bibliotheekvoorzieningen deed zich in 2001 de wens respectievelijk de noodzaak voor tot een reorganisatie; dat was op hetzelfde moment dat het proces van bibliotheekvernieuwing voor het stelsel van openbare bibliotheken in gang werd gezet. Mijn ambtsvoorgangers hebben deze convergentie aangegrepen om ook de aansluiting tussen de stelsels onderling opnieuw te bezien en waar mogelijk te bevorderen. Deze lijn heb ik voortgezet.
Deze brief over de herstructurering van de bijzondere bibliotheekvoorzieningen biedt de gelegenheid ook dit deel van het stelsel van openbare bibliotheken de aandacht te geven die het verdient. Ik heb geconstateerd dat in het verleden regelmatig met uw Kamer is gesproken over incidentele berichten ten aanzien bijvoorbeeld van de blindenbibliotheken, maar zelden over beleid of beleidsvisies voor de langere termijn. Op basis van de beleidsstukken die bij aanvang van de lopende Cultuurnotaperiode aan u zijn voorgelegd, is in de afgelopen jaren hard gewerkt aan de herstructurering van de bijzondere bibliotheekvoorzieningen. Daarbij is veel vooruitgang geboekt; deze brief geeft u daarvan een overzicht.
3. Herstructurering bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden
3.1 Inleiding en voorgeschiedenis
De instellingen die samen de bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden vormen, waren tot voor kort ieder voor zich zowel bibliotheek als productiebedrijf voor leesmaterialen in aangepaste leesvorm. De grootste daarvan zijn de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden (CBB) te Ermelo, Le Sage Ten Broek (LSB) te Nijmegen en de Nederlandse Luister- en Braille Bibliotheek (NLBB) te Den Haag. Twee kleinere voorzieningen - het Centrum voor Gesproken Lectuur (CGL) in Grave en de Studie- en Vak Bibliotheek (SVB) te Amsterdam - zijn in 2000 opgegaan in de Stichting FNB. Tot voor kort verzorgde de voorziening gezamenlijk, als stelsel dus, de omzetting van lectuur in de leesvormen braille, grootletterdruk, audio en digitale beschikbaarheid. In deze leesvormen werden en worden de hoofdgebieden studie- en vakliteratuur, kranten en tijdschriften en algemene boeken bediend. Speciale categorieën vormen het zgn. consumentenwerk (individuele verzoeken voor de omzetting van documenten) en derdenwerk (opdrachten van derden voor aanpassing van gedrukte materialen die buiten het aanbod van openbare bibliotheken vallen); speciale producten betreffen bijv. aangepaste bladmuziek en reliëfkaarten voor blinden en slechtzienden.
De blindenbibliotheken hebben lange tijd onvoldoende oog gehad voor de algemene beweging naar samenwerking en krachtenbundeling binnen het bibliotheekwerk. De aanduiding “stelsel” voor de gesubsidieerde werkzaamheden van de afzonderlijke blindenbibliotheken kwam daardoor steeds verder af te staan van de realiteit, die zich kenmerkte door versnippering en gebrek aan samenwerking. De ondoelmatigheid van deze ontwikkeling werd sinds de jaren zeventig herhaaldelijk gesignaleerd, maar voor pogingen om meer eenheid in het stelsel te brengen kon geen draagvlak worden verworven. De stormachtige doorbraak van nieuwe, digitale produktietechnieken in de jaren negentig schiep de noodzaak om stevige investeringen te plegen in het stelsel. Hierbij werd tevens duidelijk dat het niet langer mogelijk was om investeringen voor productiefuncties op meerdere locaties te doen. Op advies van de Raad voor Cultuur werd in 1996 vanuit het departement het Fonds Bibliotheekwerk Blinden en Slechtzienden (FBBS) opgericht. Het had tot taak de subsidiemiddelen tussen de diverse partijen te verdelen en tevens te komen tot een concentratie van krachten.
3.2 Van Cultuurnotabeschikking naar Rijksvoorzieningenplan
In de cultuurnotabeschikking 2001-2004 aan het FBBS (18 september 2000) werd bepaald dat uiterlijk per 1 mei 2001 alle facilitaire taken van productie, reproductie, distributie en opslag van het stelsel centraal bij één organisatie moesten zijn belegd – de Stichting FNB. 1 Dit gaf aanleiding tot zulke meningsverschillen tussen partijen – de drie zelfstandige blindenbibliotheken (CBB, LSB en NLBB), de FNB en het fonds zelf - dat het bestuur van het FBBS er niet in slaagde invulling te geven aan de beschikking. Bovendien raakte de dienstverlening aan de doelgroep daarbij in de knel. Medio 2001 besloot het fondsbestuur zijn opdracht terug te geven aan staatssecretaris dr. R.F. van der Ploeg, met het verzoek in te grijpen en een grondige reorganisatie door te voeren. Gegeven zijn directe verantwoordelijkheid voor de bijzondere bibliotheekvoorzieningen, heeft mijn ambtsvoorganger dit verzoek aanvaard. Onderzoeken, verricht in opdracht van het departement in het najaar van 2001, leverden het volgende beeld op: de bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden was technisch sterk verouderd, organisatorisch verbrokkeld en financieel ondergraven, onder meer door talloze onderlinge vordering- en schuldposities. Tevens werd duidelijk dat de blindenbibliotheek NLBB in Den Haag met ernstige financiële problemen kampte en dat zonder ingrijpende sanering een faillissement onontkoombaar was. Het productiebedrijf werd direct “afgekoppeld” en bestuurlijk ondergebracht bij de FNB om daarmee de productie veilig te stellen; de rest van de instelling werd gesaneerd. Het fonds FBBS werd per 1 januari 2002 opgeheven, zoals reeds was bepaald in de cultuurnotabeschikking, echter zonder dat de missie van het fonds was gerealiseerd. Dit is uitgangssituatie geweest bij het opstellen van het Rijksvoorzieningenplan Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden 2002-2004. Het gaf invulling en opvolging aan de cultuurnotabeschikking 2001-2004, die in deze vorm kwam te vervallen aangezien het departement rechtsopvolger was geworden van de instelling waaraan de beschikking was verleend (het FBBS). Het Rijksvoorzieningenplan bevatte verder het draaiboek voor een diepgaande reorganisatie- en 1 De Stichting FNB is de opvolger van de eerdere Federatie Nederlandse Blindenbibliotheken (FNB), waarbij alle afzonderlijke blindenbibliotheken in het bestuur waren vertegenwoordigd. Omdat met federatieve vorm geen vooruitgang op het gebied van krachtenbundeling bleek te worden geboekt, is de FNB in 2000 verzelfstandigd tot Stichting FNB met een eenhoofdig bestuur annex directeur en een onafhankelijke Raad van Toezicht.
vernieuwingsslag van het bestel, alsook de eerste aanzet om het stelsel waar mogelijk en zinvol te doen aansluiten bij de reguliere dienstverlening van het openbare bibliotheekstelsel. Kernpunten van de bestelreorganisatie waren de genoemde concentratie van facilitaire taken bij de FNB met het oog op doelmatigheidsvergroting, toepassing waar mogelijk van digitale productietechnieken, omslag van inputfinanciering naar outputfinanciering met resultaatafspraken, en sanering van de NLBB, LSB en CBB. Kernpunten van de inhoudelijke vernieuwing waren een inhaalslag op het gebied van digitale dienstverlening en de conversie van analoge audiolectuur op cassettebandjes naar digitale audiolectuur op CD-rom (studie- en vakliteratuur, kranten en tijdschriften, algemeen boek). Model voor de vernieuwingsslag stonden de geavanceerde bibliotheekstelsels voor blinden en slechtzienden in Zweden en Denemarken. Dit alles, conform de bepaling in de eerdere cultuurnotabeschikking, bij de Stichting FNB als centraal facilitair bedrijf voor de voorziening.
3.3 Daisy-project (2002-2003)
De meest omvangrijke operatie uit de vernieuwingsslag was de overschakeling van analoge naar digitale luisterlectuur – het Daisy-project. Op 1 januari 2003 werd met succes de overgang voor de relatief beperkte groep gebruikers van studie- en vakliteratuur gerealiseerd (ca. 2500 personen). De bijbehorende Daisy-spelers waren verstrekt op grond van de wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (REA) van het Ministerie van Sociale Zaken via de uitvoeringsinstanties UWV/GAK. Goede samenwerking tussen partijen maakte het mogelijk voor de gehele groep collectief één type speler aan te schaffen, die via de FNB aan de gebruikers van aangepaste studie- en vakliteratuur werd uitgeleverd; de FNB verrekende op haar beurt de afgenomen spelers met het UWV/GAK. Veel complexer was de overgang naar het Daisy-systeem voor de gebruikers van algemene lectuur per 1 januari 2004. Deze groep omvat ca. 25.000 personen en bestaat voor een groot deel uit bejaarden tot hoogbejaarden, vaak meervoudig gehandicapt (naast blind of slechtziend ook anderszins beperkt) en met een doorgaans gering aanpassingsvermogen voor nieuwe technologie. Het instrueren van deze groep over de overstap naar en het gebruik van de cd-roms, alsook over de wijze van aanvragen van de spelers en het gebruik daarvan, vroeg om een zeer zorgvuldige logistiek. Nadat het Ministerie van VWS de Regeling Hulpmiddelen zodanig had aangepast dat de Daisy-spelers voor vergoeding in aanmerking kwamen, bleek het evenwel niet mogelijk om de 27 autonome zorgverzekeraars tot overeenstemming te bewegen over het uitleveren van één type speler. Dat maakte het doelmatig instrueren van de kwetsbare en moeilijk bereikbare doelgroep zeer ingewikkeld. Vanuit het Ministerie OCW is getracht met de drie betrokken partijen – naast het Ministerie van OCW, ook het Ministerie van VWS en Zorgverzekeraars Nederland - een gezamenlijke stichting op te richten met als doel de diverse lijnen van communicatie tussen de FNB, de 27 zorgverzekeraars en 25.000 gebruikers te coördineren in de vorm van één call-center, werkend met een geïntegreerd call-script. Begin mei 2003 werd echter duidelijk dat de voorgestelde gemeenschappelijke stichting niet op voldoende draagvlak kon rekenen, terwijl volgens het strakke reorganisatiedraaiboek de instructiecampagne uiterlijk in de laatste week van mei 2003 moest starten. In samenspraak met FNB en de drie andere blindenbibliotheken is daarop de Stichting Voorlichting (Stivor) opgericht en bestuurlijk ondergebracht bij FNB. Stivor is erin geslaagd de 25.000 gebruikers voor 1 januari 2004 van alle benodigde instructie te voorzien, onder meer door de gehele 80+-groep pro-actief na te bellen en alle probleemgevallen individueel op te lossen. Het call-center is na januari 2004 nog vier maanden actief gebleven ten behoeve van de nazorg en is per 30 april jl. ontbonden.
Ook inhoudelijk moesten voor de overstap op digitale audiolectuur grote ingrepen worden verricht. Daarbij is het van belang te weten dat deze vorm van dienstverlening tot op dat moment volledig door de drie blindenbibliotheken (CBB, NLBB en LSB) werd verricht, niet door de FNB. Het klantcontact met de 25.000 gebruikers verliep en verloopt via de “loketten” van deze drie bibliotheken; de lectuur werd goeddeels in studio’s van deze instellingen ingesproken; de gehele handling van dit deel van de voorziening gebeurde bij de bibliotheek Le Sage Ten Broek te Nijmegen (heen- en retourzendingen van jaarlijks enkele miljoenen cassettes). Ten behoeve van de conversie moesten uit de gezamenlijke collectie van de drie blindenbibliotheken (60.000 analoge titels c.q. moederbanden), de 30.000 meest- gevraagde titels worden geselecteerd voor conversie en digitale editing. Daarnaast moesten de geluidsstudio’s – ca. dertig in het land, vanwege de spreiding van vrijwillige insprekers - worden omgebouwd om zo de nieuwe titels direct in het digitale Daisy-format te kunnen opnemen. Tenslotte moest er een geavanceerd digitaal communicatiesysteem (LOIS) worden gebouwd dat de klantenbestanden van de drie blindenbibliotheken verbond met de loketten enerzijds en productiesystemen van de FNB anderzijds, zodat bestellingen bij de afzonderlijke loketten direct bij de centrale server belandden om vandaar geautomatiseerd te worden uitgeleverd. Derde en laatste hoofdcomponent van de Daisy-conversie van het algemene boek was de beëindiging van activiteiten bij, en de ontmanteling van, de instelling die tot dat moment verantwoordelijk was geweest voor de productie van audiolectuur op cassette, de LSB te Nijmegen, inclusief afvloeiings- en saneringsplannen voor het personeel. Zowel vanwege de nauwe samenhang tussen het conversieproject en deze saneringsoperatie, inclusief de daarmee verbonden afspraken met vakbonden, alsook vanwege de logistieke onmogelijkheid om twee infrastructuren (cassettes en cd- roms) naast elkaar te draaien, stond de overgangsdatum van 1 januari 2004 absoluut vast. Het Daisy-project is conform de bepalingen in de Cultuurnotabeschikking en later het Rijksvoorzieningenplan onder de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid van FNB geplaatst. Aangezien het project voor het deel algemene audiolectuur direct verbonden was met de werkzaamheden van de drie blindenbibliotheken, speciaal van de LSB als (tot dat moment) centrale coördinator van dit deel van de voorziening, werd de directeur van de LSB, binnen de overkoepelende regie van de FNB, aangesteld als projectleider conversie algemene lectuur, op werkvloer ondersteund door een team van medewerkers van zowel FNB als LSB; de FNB nam de operationele leiding van het deel kranten en tijdschriften op zich. De overgang per 1 januari 2004 is gehaald, de beëindiging van de activiteiten van de LSB eveneens, maar het project is moeizaam verlopen, mede omdat de FNB gaande de operatie bestuurlijk- organisatorisch in het ongerede is geraakt.
3.4 Recente ontwikkelingen en uw kamervragen
In de loop van 2003 werd duidelijk dat de voortgang van het Daisy-project onder druk stond. Het risico van maatschappelijke schade voor 25.000 blinden en slechtzienden per 1 januari 2004 werd in het najaar groot geacht. Dit deed de Raad van Toezicht besluiten van 1 november 2003 tot 15 januari 2004 zijn voorzitter als gedelegeerd bestuurder van de FNB naast de directeur te plaatsen. Aanvangsproblemen met het nieuwe systeem aan het begin van het jaar, hadden een duidelijke terugslag op de dienstverlening aan de gebruikers. Eind januari hebben de directeuren van de drie blindenbibliotheken mij een brief geschreven met een verzoek om hulp. Van andere zijden ontving ik eveneens verontruste signalen. Op 9 februari 2004 heb ik een overleg gevoerd met de Raad van Toezicht. Onder regie van de voorzitter van de Raad van Toezicht zijn daarna door de Stichting Stivor een aantal urgente maatregelen getroffen. Aan het einde van die maand koos de Raad van Toezicht ervoor zijn portefeuille aan mij beschikbaar te stellen. Op 13 maart jl. heb ik voor een tijdelijke periode een nieuwe Raad van Toezicht benoemd. Deze Raad heeft de directeur geschorst, een tijdelijke interim-manager aangesteld en twee externe onderzoeken uitgezet naar de organisatorische, respectievelijk de financiële stand van zaken bij de FNB. In deze context zijn in maart en april jl. documenten verspreid over het internet, naar de Kamer en naar de media. VPRO-radio heeft in het programma Argos van 21 mei jl. een reconstructie gegeven van de zaak, waarbij zware beschuldigingen zijn geuit. Inhoudelijk bevatten de beschuldigingen de volgende componenten:
3.5 Terugblik en vooruitblik op de stelselherziening
In afwachting van het onderzoek, wil ik ervoor waken dat de situatie rondom het Daisy-project niet het zicht op het grotere geheel ontneemt – de stelselherziening. Daarbij is ook goed te benadrukken dat ook de reorganisatie van het stelsel geen doel op zichzelf, maar slechts een middel tot een doel is. En dat is het neerzetten van een goed geoutilleerde, eigentijdse voorziening voor blinden en slechtzienden, van het zelfde niveau als de stelsel van openbare bibliotheken.
Als ik terugblik op de aanvangssituatie bij de herstructurering van het stelsel van blinden en slechtzienden in 2001, dan is de complexe reorganisatie zoals beschreven in het Rijksvoorzieningenplan op schema uitgevoerd.
Centralisatie productie
Van de drie blindenbibliotheken die voorheen eigen productie draaiden, hebben op dit moment twee hun productiebedrijf overgedragen aan de FNB (NLBB en LSB). De overdracht van de derde component, de brailleproductie van de CBB te Ermelo aan de FNB, stond gepland voor 1 januari 2005, waarmee de concentratie van productiefaciliteiten compleet zou zijn. Door de ontwikkelingen bij de FNB zal dit deel van de bestelreorganisatie mogelijk iets verder in de tijd gefaseerd moeten worden. Maar met inachtneming daarvan, zal dit uiterst gevoelige deel van de reorganisatie – de concentratie van faciliteiten waar het FBBS in 2001 nog op strandde – dan geheel zijn gerealiseerd.
Innovatie
Bij de FNB zijn grote investeringen gerealiseerd in ICT-toepassingen, zowel op het gebied van productie als van dienstverlening; de digitale webdiensten zijn geheel bij de tijd gebracht (de portalsite anderslezen.nl ). Herpositionering oude voorzieningen Zoals past in een reorganisatie van deze omvang, zijn met de drie instellingen die decennia draaiden op de productiesubsidie van OCW, gesprekken gevoerd over de wijze waarop zij een “nieuw leven” kunnen opbouwen buiten het productiebestel. Waar mogelijk heeft het departement steun verleend met advies en tijdelijke overgangsmaatregelen. De NLBB oriënteert zich op een rol als servicepunt voor blinden en slechtzienden binnen het stelsel van openbare bibliotheken; de CBB wil zich deels richten op de productie van derden-opdrachten om daarmee geld te genereren voor de productie van protestants- christelijke lectuur die buiten het aanbod van de reguliere bibliotheekvoorziening valt; de LSB zoekt het extern en heeft een licentie verworven voor de exploitatie van het belevenisconcept “kijken-in-het- donker”. Van de taken die zij thans nog gesubsidieerd verrichten – het “lokettenwerk” (intermediair naar gebruikers, tevens hun klanten of leden) en het consumentenwerk (dienstverlening aan individuele gebruikers), zal met name de bibliothecaire dienstverlening in de komende jaren veranderingen ondergaan (zie verder). Elk der instellingen heeft aangegeven indien mogelijk een rol te willen vervullen in herpositionering van de dienstverlening aan blinden en slechtzienden als een aangepaste vorm van het openbaar bibliotheekwerk.
Aansluiting blindenbibliotheken en openbare bibliotheken
De beoogde aansluiting met het stelsel van openbare bibliotheken is niet eenvoudig. Omdat de twee stelsels zich dertig jaar los van elkaar hebben ontwikkeld, zijn er forse “systeemverschillen” ontstaan. Bijvoorbeeld op het gebied van auteursrechtelijke vergoedingen, centrale versus decentrale financiering, of lidmaatschapsvormen en eigen bijdragen. Het spreekt niettemin voor zich dat de omstandigheid dat op dit moment ook het bestel van openbare bibliotheken word vernieuwd, een kans van “nu of nooit” biedt om deze kloof te dichten. Tijdens een bijeenkomst met alle stakeholders in april 2003 zijn de obstakels in kaart gebracht, langs meerdere lijnen wordt thans gewerkt om daar oplossingen voor te ontwerpen. De Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) heeft mij inmiddels een voorstel gedaan voor de wijze waarop de openbare bibliotheek zinvol, doelmatig en betaalbaar diensten aan deze doelgroep kan verzorgen. De VOB wil op korte termijn (2004/2005) een eerste uitrol verzorgen naar ca. 50 openbare bibliotheken, met gefaseerde overgang naar een volledige landelijke dekking in 2008. De hoofdlijnen van het samengaan van de twee stelsels zien er als volgt uit:
Toekomstig perspectief
Kijk ik vooruit naar de volgende jaren, dan zal de hoofdlijn een consolidatie en verfijning zijn van de koers die is ingeslagen met het Rijksvoorzieningenplan 2002-2004. Het was reeds voorzien dat de FNB, na de opname van de productiebedrijven van de drie blindenbibliotheken, een fase van interne reorganisatie zou moeten ingaan ter verdere stroomlijning en maximalisering van de efficiencywinst. Het lijkt waarschijnlijk dat de recente problemen hieraan nadere urgentie zullen verlenen. Bij de drie blindenbibliotheken zal met name de “loket-functie” in de komende jaren veranderingen ondergaan als gevolg van de geleidelijke verschuiving van de distributie naar het centrale loket, resp. het decentrale systeem van openbare bibliotheken.
De invlechting binnen het bestel van openbare bibliotheken zal parallel moeten verlopen met de vorming van basisbibliotheken en de modernisering van hun dienstenpakket. Deze beweging zal in de periode 2005-2007 zijn beslag moeten krijgen (zie mijn parallelle beleidsbrief over de bibliotheekvernieuwing, kenmerk MLB/LB/2004/23.434, d.d. 10 juni 2004). Een en ander zal worden vastgelegd in een Rijksvoorzieningenplan Bijzondere Bibliotheekvoorzieningen 2005-2008, waarin de (subsidiestromen voor de) bibliotheekvoorziening voor varenden en de (beleidsrichtingen plus subsidiestromen voor de) bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden in samenhang zullen worden beschreven. Dit document is thans in voorbereiding – enigszins vertraagd door de ontwikkelingen bij de FNB – maar zal naar verwachting in het najaar aan uw Kamer voorgelegd kunnen worden.
Tenslotte merk ik nog het volgende op. Met de motie Lambrechts e.a. (Kamerstuk 2003-2004 29200 VIII nr. 66), ingediend bij de begrotingsbehandeling OCW, is de regering verzocht in kaart te brengen hoe de Nederlandse situatie terzake toegang tot informatie voor slechtzienden en andere gehandicapten zich verhoudt tot die in de VS en Zweden, zowel in de praktijk als in wet- en regelgeving. In haar brief van 1 december 2003 aan uw Kamer (Kamerstuk 2003-2004 25773, nr. 99) heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangegeven dit te zullen laten onderzoeken. Deze belofte is herhaald in de brief van de Minister, mede namens beide staatssecretarissen, aan de Kamer van 13 februari 2004 (Kamerstuk 2003-2004 29.200 VIII, nr. 121). Ik kan u hier mededelen dat deze vraag, voor zover die betrekking heeft op het bibliotheekstelsel, zal worden onderzocht door het uitvoeren van een internationale benchmark voor de FNB, op het moment dat de organisatie weer goed op de rails staat.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (mr. Medy C. van der Laan)
Beantwoording van vragen gesteld door de vaste kamercommissie Cultuur in haar brief van 6 mei 2003 (kenmerk SC-04-18).
1. Klopt het beeld dat in de afgelopen periode de Stichting Federatie Nederlandse Blindenbibliotheken, Lectuur en informatie voor mensen met een leeshandicap (FNB) zowel wat betreft de uitvoering van het beleid als in financieel opzicht de zaken niet op orde had?
Dat was en is de indruk bij zowel de Raad van Toezicht van de FNB als het departement. De onderzoeken die de Raad van Toezicht heeft uitgezet, zullen deze indruk moeten objectiveren.
2. Waarom is hierover met diverse partijen gesproken, behalve met de FNB?
Ik heb met alle partijen gesproken, met de FNB op het niveau van de Raad van Toezicht.
3. Klopt het dat de FNB in de jaren 2002 en 2003 geen financiële tekorten heeft gekend? Bent u bereid als de indruk bestaat dat teveel geld is uitgegeven en dit nader onderzocht moet worden, de financiële situatie van het gehele voorzieningenstelsel daarin te betrekken?
Het antwoord op deze vraag zal moeten blijken uit het financiële onderzoek dat de Raad van Toezicht heeft uitgezet.
4. Klopt het dat er een interne beleidsnotitie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) inzake blindenbibliotheken en voorzieningen voor visueel gehandicapten is uitgelekt, waarin gesproken wordt van onder andere 14% bezuiniging op de Federatie van Nederlandse Blindenbibliotheken?
Nee. Het betreft een oneigenlijk bewerkte ‘versie’ van een officiele brief van het departement aan de Raad van Toezicht d.d. 9 februari (kenmerk MLB/LB/2004/7025). Verder is er geen sprake van een bezuiniging van 14% op de FNB, maar van een niet gerealiseerde efficiency-winst voor 2004 zoals vastgelegd in het Rijksvoorzieningenplan 2002-2004.
5. Bent u op de hoogte van de ontstane onrust onder visueel gehandicapten en blinden over deze “uitgelekte beleidsnotitie”?
Ja, en dit vervult mij met zorg.
6. Klopt het dat er een conflict is ontstaan tussen OCW en de Raad van Toezicht van de FNB in februari van dit jaar? Kunt u aangeven welke feiten hebben geleid tot dit conflict?
Nee. Er is geen sprake geweest van een conflict, echter van een steeds verder complicerende situatie.
7. Is het waar dat in februari van dit jaar de door de Minister van OCW benoemde Raad van Toezicht van de FNB u heeft medegedeeld dat zij het niet langer verantwoord achtte medewerking te verlenen aan de voornemens van het Ministerie en dat vervolgens de leden van de Raad van Toezicht zijn teruggetreden?
Ja. De voorzitter van de Raad van Toezicht heeft aansluitend verklaard dat hij opname van deze passage in de brief achteraf betreurt.
8. Klopt het dat naar aanleiding van het opstappen van de Raad, de toenmalige directeur c.q. de bestuurder van de FNB, per brief op 2 maart heeft gevraagd om een overleg? Klopt het dat u deze brief niet heeft beantwoord en dat het overleg nooit heeft plaatsgevonden? Zo neen, waarom niet?
Aangezien de Raad van Toezicht op dat moment (2 maart jl.) reeds in gesprek was geweest met de directeur over haar positie - statutair een uitsluitende bevoegdheid van de Raad van Toezicht – heb ik het mogelijk noch gewenst gevonden in deze competentie te treden. In formele zin is het verzoek afgehandeld per brief aan de (nieuwe) Raad van Toezicht van 28 april 2004 (kenmerk MLB/LB/2004/17773).
9. Klopt het dat het ministerie een nieuwe Raad van Toezicht heeft geïnstalleerd die vervolgens de toenmalige directeur/bestuurder heeft geschorst?
Ja.
10. Is het tevens waar dat de projectleider van OCW, verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de FNB, een directe rol heeft gespeeld bij de benoeming van de nieuwe Raad van Toezicht?
Nee. Benoeming en ontslag van de Raad van Toezicht FNB zijn mijn uitsluitende bevoegdheid. De projectleider is verder niet verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de FNB.
11. Klopt het dat de nieuwe interim-bestuurder, aangesteld door de nieuwe Raad van Toezicht, is geworven door het bedrijf MMC, waarvan de projectleider van OCW enige aandeelhouder is?
Dit is onderdeel van het door mij gevraagde externe onderzoek.
12. Is het waar dat juist de nieuwe interim-bestuurder leiding moet geven aan interne onderzoeken, respectievelijk gericht op de financiële situatie en op bedrijfsvoering, organisatie en beleid? Zijn dit niet zaken die in direct verband staan met het ontstane conflict tussen OCW en FNB?
Nee. De onderzoeken vallen onder de verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht FNB.
13. Is het waar dat de daarvoor ingehuurde onderzoeksbureaus een directe werkrelatie met de betreffende projectleider van OCW hebben?
Nee.
14. Ziet u in deze gang van zaken enig gevaar van mogelijke belangenverstrengeling?
Dit is onderdeel van het door mij gevraagde onderzoek.
15. Ziet u enig gevaar dat er door de ontwikkelingen bij de FNB en de wijze waarop OCW hierin een sturende functie vervult, een voorschot wordt genomen op beleid dat door de Kamer nog besproken dient te worden?
Nee. De beleidsmatige ontwikkelingen bij de FNB en de overige instellingen in 2003 en 2004 volgen het reorganisatiedraaiboek van het Rijksvoorzieningenplan Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden 2002-2004, dat in 2002 aan uw Kamer is voorgelegd.
Vragen van het lid Vergeer (SP) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mw. Van der Laan, naar aanleiding van den VPRO-radioprogramma op 21 mei jl. (Ingezonden op 27 mei 2004).
1. Kunt u het bestaan bevestigen van de in het radioprogramma Argos genoemde brief van uw hand, d.d. 14 april 2004, aan het FNB (Federatie Nederlandse Blindenbibliotheken), waarin u opdracht geeft voor de doorbetaling van subsidiegelden ad € 317.085,- door het FNB aan Stivor. Kunt u aangeven waarom u voor deze constructie heef gekozen en waarom subsidiegelden niet direct ten behoeve van Stivor werden overgemaakt?
Ja. Het betreft de subsidieverlening voor de FNB-projecten “afbouw retourcassettes” en “digitalisering moederbanden”. De projecten zijn ingediend door de toenmalige voorzitter van de Raad van Toezicht FNB, die ervoor heeft gekozen de uitvoering te beleggen bij Stivor.
2. Klopt het dat door deze constructie de BTW-verplichting van de stichting Stivor vervalt. Zo ja, was u hiervan op de hoogte?
Nee. De deelprojecten die in 2004 door Stivor zijn uitgevoerd, zijn BTW-plichtig; de subsidieaanvragen zijn overeenkomstig ingediend en toegekend.
3. Was u op de hoogte van het feit dat de stichting Stivor medewerkers van het bedrijf MMC, Management en Mobiliteitsconsultancy, werkzaam waren of zijn?
Het bestuur van Stivor is verantwoordelijk voor welke medewerkers hij aanneemt. De vraag of zich binnen dit netwerk onoorbare praktijken hebben voorgedaan, is onderdeel van het gevraagde externe onderzoek.
4. Was u op de hoogte van het feit dat de heer Welters, projectleider voor OCW, oprichter is en tevens secretaris/penningmeester van de Stichting Stivor en enig aandeellhouder van het bedrijf MMC?
Deze wordt beantwoord door middel van het externe onderzoek. Het tweehoofdig bestuur van de Stichting Stivor bestaat tot op heden uit de heren A. Van Fessem en A. van Gils, voorheen voorzitter resp. plv. voorzitter van de Raad van Toezicht.
5. Was u op de hoogte van het feit dat de heer Voogd, projectleider bij LSB, daar aangesteld door de heer Welters vanuit OCW, eveneens werkzaam voor het bedrijf MMC en dat op instigatie van OCW, bij monde van de heer Welters, € 582.440 door LSB in rekening werd gebracht, waaronder het salaris van de heer Voogd?
Deze vraag zal worden beantwoord in kader van het gevraagde externe onderzoek.
6. Klopt het dat de RvT van de FNB en de directeur, mw. Van Bodengraven, per brief van 27 februari 2004 en 2 maart 2004 aan u melding maken van mogelijke onregelmatigheden in de subsidietoewijzing door OCW en het gebrek aan transparantie bij de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestede gelden bij LSB? Was is voor u aanleiding om schriftelijk danwel mondeling met de briefschrijvers in overleg te treden? Zo neen, waarom niet?
Nee; zie ook het antwoord op vraag 8 van uw commissie d.d. 6 mei 2004.
7. Bent u op de hoogte van het feit dat na de schorsing van mw. Van Bodengraven de nieuwe bestuurder van de FNB, de heer Jongejan, is geworven door MMC, het bedrijf van de heer Welters?
De selectie en benoeming van de interim-bestuurder is een zaak van de Raad van Toezicht. De positie van genoemd bedrijf is onderdeel van het door mij gevraagde onderzoek.
8. Wat is uw mening over het feit dat uit brieven van de heer Jongejan van 3 april 2004 aan de projectleider van OCW, de heer Welters, en aan de voorzitter van de RvT, mw. Brakman, blijkt dat de heer Welters de opzet heeft geschreven voor van het ‘onafhankelijke’ onderzoek naar de financiele en organisatorische problemen bij de FNb, dat geleid zou moeten worden door de heer Jongejan?
De projectleider heeft een opzet gemaakt van welke aspecten om onderzoek vroegen op het moment dat er sprake van was dat hij ad interim het bestuur over de organisatie zou gaan overnemen. Op het moment dat de Raad van Toezicht om moverende redenen heeft gekozen voor “nieuwe gezichten”, heeft de projectleider zijn voorwerk desgevraagd overgedragen. De directeur a.i. heeft zijn eigen oordeel gevormd over de te verrichten onderzoeken en daarover advies uitgebracht aan de Raad van Toezicht; zie verder mijn antwoord op vraag 12 van uw commissie d.d. 6 mei jl.
9. Wat is uw mening over de email- reactie van dhr. Waarsenburg (OCW) op de suggestie van de nieuwe voorzitter van de Raad van Toezicht, mw. Brakman, dat ook gekeken moet worden naar de rol van dhr. Welters, : ‘Het lijkt mij niet nodig de weerstand tegen MMC en Welters te vermelden. Zoals het nu staat, dan krijg je toch het gevoel dat er iets niet deugt met die Welters, en ik wil nog langer met ‘m verder’?
Deze passage van de e-mail is uit zijn context gehaald. De context is beschreven in mijn antwoord op uw vraag 8.
10. Hoe gaat u een onafhankelijk onderzoek naar doelmatigheid en rechtmatigheid van de toekenning en besteding van subsidiegeld bij OCW, FNB, Stivor en LSB waarborgen?
Het door mij gevraagde onderzoek is nog in de fase van in te dienen onderzoeksvoorstellen.
Vragen van de leden Van Vroonhoven-Kok en Aasted Madsen-van Stiphout (beiden CDA) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mw. Van der Laan, over de radiouitzending Argos (ingezonden 27 mei 2004).
1. Heeft u kennisgenomen van de radio-uitzending Argos (21 mei jl.) over de gang van zaken rondom de stelselwijziging en de invoering van het Daisy-project?
Ja.
2. Is het waar dat dhr. Welters tevens eigenaar is van Management Mobiliteits Consultants MMC en dat de directeur van Stichting Voorlichting en Informatie, afgekort Stivor, dhr. de Bruin in dienst is bij dit bedrijf van dhr. Welters?
De inhoudelijke en financiële relaties van de projectleider zijn onderdeel van het door mij aangekondigde externe onderzoek.
3. Bent u op de hoogte van de BTW-constructie tussen de Federatie Nederlandse Blindenbibliotheken FNB en Stivor?
Ja.
4. Is bij u bekend welke diensten Blindenbibliotheek Le Sage ten Broek heeft geleverd voor het doorgesluisde subsidiebedrag van € 616.500,00?
De vraag naar de rechtmatigheid van de betreffende subsidieverlening is betrokken in het door mij gevraagde externe onderzoek.
5. Hoe beoordeelt [u] een en ander in het licht van integriteit, transparantie en onafhankelijkheid van de overheid?
De wijze waarop het Ministerie van OCW en de Raad van Toezicht in onderlinge afstemming maatregelen hebben moeten nemen om mogelijke maatschappelijke schade voor 25.000 visueel gehandicapten te voorkomen, mag hopelijk een uitzondering blijven. Met deze brief denk ik alle gevraagde en mogelijke transparantie te hebben gegeven, met in achtneming van zaken die eerst met het door mij gevraagde onderzoek beantwoord zullen worden.