BlinfoTec |
Als leden van de stuurgroep hebben wij gezien hoe hoog de inzet van alle betrokkenen is, hoezeer de bibliotheken sterke banden onderhouden met hun omgeving en hoeveel mensen de bibliotheek gebruiken. Tegen deze achtergrond hebben wij ons advies geschreven voor de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Alle overheden en ook de branchevereniging vinden dat de openbare bibliotheken er in de eerste plaats zijn voor de gebruikers: scholieren en beroepsbeoefenaren, vrouwen en mannen, allochtonen en autochtonen; kortom, voor burgers die goed genformeerd willen functioneren in onze complexe, democratische samenleving.
Zowel de behoefte aan informatie als het aanbod van informatie groeien. De bibliotheken zoeken dus naar mogelijkheden om informatie beschikbaar te stellen. Op dit moment zijn er tussen bibliotheken verschillen in kwaliteit die niet zijn te herleiden tot bewus te keuzes van gebruikers of subsidiënten.
Hoe kunnen de openbare bibliotheken hun belangrijke maatschappelijke functie optimaal realiseren? De succesfactoren lijken voor een groot deel te danken aan: de mogelijkheden die bibliotheekmedewerkers krijgen om hun professie bij te houden, de relatie van de bibliotheek met de gemeente als opdrachtgever en subsidiënt, de samenwerking met andere organisaties, inspelen op ontwikkelingen op het gebied van ICT en de samenwerking met partners in het bibliotheekstelsel.
Daarom richt dit advies zich op de komst van een versterkt bibliotheekstelsel. Besluitvorming volgt in het bestuurlijk overleg tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO).
Graag wensen wij alle betrokkenen veel succes, waaronder de provinciale en gemeentelijke bestuurders, de ambtenaren, de besturen, directies en medewerkers van bibliotheken en de branchevertegenwoordigers. Wij hopen dat u kunt gaan bouwen op een besluitvaardig stelsel.
Namens de stuurgroep herstructurering openbaar bibliotheekwerk,
W. Meijer
(voorzitter)
De zich ontvouwende informatiemaatschappij laat het stelsel van openbare bibliotheken beslist niet onberoerd. De afgelopen jaren heeft de bibliotheekbranche uiteenlopende initiatieven genomen om de dienstverlening en de bestuurlijke organisatie daarvan aan de stormachtige maatschappelijke ontwikkelingen aan te passen. Op verschillende plaatsen in het land zijn daarmee aanzienlijke successen geboekt. In brede kring bestaat echter de idee dat het huidige, historische gegroeide openbare bibliotheekstelsel toe is aan vernieuwing.
Eind 1998 heeft de Raad voor Cultuur op verzoek van de Staatssecretaris van OCW een ontwerp voor een nieuwe bestuurlijke structuur gepresenteerd. Diens analyse vond weerklank, maar al snel bleek dat voor de geschets te bestuurlijke oplossing binnen de branche en de betrokken overheden onvoldoende draagvlak bestond. Daarop werd de Stuurgroep herstructurering openbaar bibliotheekwerk ingesteld, met als opdracht in nauw overleg met de branche en betrokken overheden alsnog tot een breed gedragen herontwerp van het stelsel voor openbaar bibliotheekwerk te komen. Dit rapport, waar deze samenvatting deel van uitmaakt, bevat het eindadvies van deze stuurgroep.
• De stuurgroep onderschrijft de idee dat het huidige bibliotheekstelsel niet geschikt is om de uitdagingen waar de openbare bibliotheken voor staan aan te gaan. Daarbij denkt zij aan het vergroten van de prikkels om de behoef ten van (potentiële) gebruikersgroepen als uitgangspunt te nemen. De bibliotheken moeten hun publieksbereik vergroten door nieuwe doelgroepen te benaderen en nieuwe (culturele) activiteiten te ontplooien, waarmee zij invulling g even aan hun 'cultureel ondernemerschap'. Naar de mening van de stuurgroep zouden er meer financiële middelen beschikbaar moeten komen voor de noodzakelijke investeringen voor in het bijzonder ICT en 'human capital'. Dan kan de cultuuromslag worden gemaakt die nodig is om als moderne openbare bibliotheek goed beslagen de 21e eeuw in te gaan.
• De stuurgroep heeft een aantal uitgangspunten geformuleerd waaraan de nieuwe opzet zou moeten voldoen. Deze betreffen onder meer: een onbelemmerde toegangvoor iedere burger, culturele diversiteit, pluriforme en onafhankelijke informatievoorziening, eisen ten aanzien van het gebruik van informatie- en maatschappelijke instellingen. Verder moeten de behoeften van (potentiële) gebruikers als uitgangspunt worden genomen..
• Als het aan de stuurgroep ligt, zal er de komende drie, vier jaar veel veranderen in de bibliotheekbranche. De stuurgroep staat een publiek stelsel voor ogen, waarin (primair) door gemeenten gefinancierde basisbibliotheken, gesteund door een stevige branchevereniging, gebruikersgericht de kernfuncties uitvoeren.
De overheden (gemeenten, provincies en rijksoverheid) stemmen regelmatig hun beleid af in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken en dragen zorg voor uitvoering van het beleid door de basisbibliotheken en hun branchevereniging. Het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg ondersteunt het overleg daarbij. De taken van de Provinciale Bibliotheek Centrales (PBC's) zullen worden overgenomen door enerzijds de basisbibliotheken en anderzijds door nieuw te vormen regionale facilitaire bibliotheekbedrijven. Net als andere toeleveranciers, als de Nederlandse Bibliotheek Dienst, zullen zij in een co-maker-relatie met de basisbibliotheken samenwerken.
Het toekomstig stelsel is er voor de bur ger. De stuurgroep is van mening dat de bibliotheken beter moeten reageren op de wensen van lokale (potentiële) gebruikers en meer vanuit de gebruiker moet leren denken. Dit geldt ook ten aanzien van institutionele gebruikers, zoals het onderwijs. De stuurgroep denkt dit onder andere te bereiken door de rechtstreekse opdrachtrelatie tussen de gemeente en de basisbibliotheek te versterken, waarbij de wensen van de gebruikers een belangrijk element zijn in de contractrelatie.
Voor de gebruikers is de bibliotheek in de eerste plaats de vestiging in de buurt, waarvan zij zelf gebruik maken. Zonder de inzet van duizenden vrijwilligers zouden er minder vestigingen goed kunnen functioneren. De stuurgroep wil de spreiding van vestigingen en de inzet van vrijwilligers zoveel mogelijk ruggensteun geven door samenwerking tussen organisaties te stimuleren, waardoor adequate beroepsmatige ondersteuning kan worden geboden.
Daarnaast acht de stuurgroep het wenselijk dat de gebruikers van de basisbibliotheken nauwer bij het stelsel betrokken worden door de instelling van gebruikersraden. Ook de contacten met niet-gebruikers zouden moeten worden verbeterd, o.a. met behulp van burgerpanels. Tenslotte stelt de stuurgroep de invoering van een kwaliteitsstelsel voor, waarin gebruikersgerichtheid een belangrijk toetsingscriterium is.
• De kern van het toekomstige openbare bibliotheekstelsel wordt gevormd door de basisbibliotheken. Een basisbibliotheek is een zelfstandige organisatie met één of meer vestigingen die in één of meer gemeenten een bibliotheekvoorziening aanbiedt. De basisbibliotheek is tenminste verantwoordelijk voor de uitvoering van een aantal kernfuncties. Daarnaast zal zij voor haar opdrachtgevers (gemeente(n), provincie, derden) nog andere betekenisvolle taken uitvoeren op basis van aanvullende afspraken. De basisbibliotheek wordt voor het belangrijk ste deel gefinancierd door de gemeente(n) waarmee de opdrachtrelatie wordt onderhouden.
• De stuurgroep denkt dat de kleinste bibliotheken niet in staat zijn om zelfstandig adequaat invulling te geven aan de geformuleerde prestatie-eisen. Deze betreffen onder meer: een minimale openstelling, het aanbod van de kernfuncties, een minimale professionele bezetting en een eigen bibliotheekbeleid. De stuurgroep hecht grote waarde aan een professionele opdrachtgeversrelatie tussen de basisbibliotheken en de gemeenten, zonder onderscheid te maken tussen (grote) stedelijke en (kleine) plattelandsgemeenten. (Op dit moment is er in het laatste geval geen sprake van zelfstandige directievoering, maar geschiedt deze door de PBC's).
Uitgaande van het principe 'zo groot als nodig en zo klein als mogelijk' komt, onder meer op basis van financieel onderzoek, voor de basisbibliotheek een minimaal verzorgingsgebied van 30 à 35.000 inwoners naar voren. De stuurgroep adviseert dringend aan bibliotheken met een kleiner verzorgingsgebied om te fuseren. Benadrukt moet echter worden dat deze minimum-omvang niet gelijk staat aan de optimale omvang van een basisbibliotheek.
• Alle basisbibliotheken worden geacht lid te zijn van de branchevereniging. Deze draagt onder meer zorg voor belangenbehartiging, de totstandkoming van collectieve producten en diensten van het openbaar bibliotheekwerk, beroepsontwikkeling en professionalisering. Daarnaast zal de branche vereniging in opdracht van het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken verschillende onderwerpen ter hand nemen, waarmee de uitvoering van de stelseltaken (bevorderen van de doelmatigheid, samenhang, kwaliteit en pluriformiteit van het openbare bibliotheekwerk) vorm krijgt. De branchevereniging heeft de structuur van een ledenorganisatie en beschikt over een klein, hoogwaardig bureau. Ze wordt gefinancierd door de leden en, voor wat betreft de werkzaamheden in opdracht van het Bestuurlijk Overleg, door de rijksoverheid.
• De regionale facilitaire bibliotheekbedrijven bieden ondersteunende diensten aan, bijvoorbeeld op het gebied van automatisering, financiële administratie, inkoop, expeditie/transport en beheer van de bibliobus. Ze komen voort uit een deel van de huidige PBC's en werken in opdracht van de basisbibliotheken en derden, zoals de provincies (voor uitwerking van provinciaal beleid) en de branchevereniging. De regionale facilitaire bibliotheekbedrijven zijn privaatrechtelijke instellingen zonder winstoogmerk, die gefinancierd worden door de afnemers van hun diensten en producten. Gedurende een overgangsperiode zijn er afnamegaranties vanuit de basisbibliotheken.
• In het toekomstige bibliotheekstelsel verandert de positie van de overige toeleveranciers niet. De NBD kan zich blijven aanbieden als de gezamenlijke mediainkoop- en -verwerkingsorganisatie van de branche. Ook commerciële bedrijven als Biblion BV kunnen een le veranciersrelatie met basisbibliotheken aangaan en hen diensten en producten aanbieden.
In het toekomstige openbare bibliotheekstelsel is voor de overheden een belangrijke complementaire rol weggelegd.
• Het overleg over bibliotheekbeleid, dat al bes taat in het kader van de bestuursafspraken van rijksoverheid, IPO en VNG, zal versterkt en verdiept worden tot het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken. Het Bestuurlijk Overleg komt 2 à 3 maal per jaar bijeen om de strategische kaders voor het bibliotheekbeleid van de overheidslagen op elkaar af te stemmen. Het kent een ambtelijk vooroverleg en wordt voorts geadviseerd door de branchevereniging. Het Bestuurlijk Overleg wordt ondersteund door een secretariaat dat de voortgang van de uitvoering van de afspraken monitort en toetst, knelpunten signaleert en verbetervoorstellen doet. Het secretariaat wordt gefinancierd door de rijksoverheid.
Door de instelling van het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken zullen in het toekomstige openbare bibliotheekstelsel vrijblijvende samenwerkingsrelaties, zowel binnen de branche als tussen de overheden, minder voorkomen. Aan overheidszijde spreken de betrokken overheden elkaar aan op het nakomen van de afspraken. Aan de zijde van de branche kan het Bestuurlijk Overleg invloed uitoefenen door algemene kaders vast te stellen die via de branchevereniging worden geïmplementeerd. Het secretariaat zorgt voor bewaking van de afspraken. De stuurgroep verwacht hiermee doeltreffende "checks and balances" in het stelsel te hebben ingebouwd.
Bij de omslag die in het bibliotheekstelsel moet worden gemaakt, spelen in de visie van de stuurgroep de bibliotheken en de pr ovincies een sleutelrol. De stuurgroep wil hiermee aansluiten bij ontwikkelingen die al binnen diverse provincies zichtbaar zijn. Aanvullend daarop stelt de stuurgroep voor dat in de implementatiefase een tijdelijke organisatie wordt ingesteld die de uitvoering stimuleert, onder steunt en de voortgang monitort. Het Bestuurlijk Overleg treedt op als opdrachtgever.
• Het invoeren van het toekomstige openbare bibliotheek stelsel zal complex en ingrijpend zijn en zeker drie à vier jaar duren. Een dergelijk complex veranderingstraject heeft echter alleen kans van slagen als het van het begin af aan door alle partijen actief wordt ondersteund. De stuurgroep heeft met dit advies een stelsel willen schetsen dat innoverend en stimulerend is. Zij hoopt op een voortvarende besluitvorming. Daarna zijn de branche en de betrokken overheden aan zet.
in overleg met de bibliotheekwereld en de betrokken overheden.
Al jaren leent bijna dertig procent van de Nederlanders boeken bij de openbare bibliotheek en meer mensen nog raadplegen er kranten en tijdschriften. Dit terwijl Nederlanders minder vrije tijd hebben doordat ze vaker tv-kijken en vaker sporten dan vroeger. De openbare bibliotheken zijn er in de vorige eeuw dus behoorlijk in geslaagd hun maatschappelijke functie waar te maken. In bepaalde opzichten is de bibliotheek een boekhandel, kiosk, muziekwinkel en inter-netcaféinéén. Ook wat dat betreft hebben de openbare bibliotheken zich de afgelopen jaren goed aan de tijd aangepast. Anno 2000 is het opnieuw tijd voor modernisering. Daar zijn urgente redenen voor, zowel actuele kansen als dreigende problemen.
Winkels hebben met bibliotheken gemeen dat zij in hun nabije omgeving een breed publiek bedienen. Succesvolle winkels doen dat door veel aandacht te schenken aan gebruikerspanels en andere vormen van marktonderzoek, onder meer via de deskundigheid in hun branche-organisatie, die ook de beroepskwaliteit van medewerkers stimuleert. Lokale winkels sluiten zich vaak aan bij ketens en kopen hun waren zo efficiënt mogelijk in. Verder benutten zij, al dan niet gezamenlijk, de nieuwe ICT-mogelijkheden vaak optimaal. In de winkelbranche bestaan sterke netwerkorganisaties.
Ook de openbare bibliotheken willen een zo groot mogelijk publiek bedienen. En ook zij willen dat steeds beter doen. Niet alleen met boeken, tijdschriften en kranten, of dia's, video's, geluidscassettes en cd's, maar ook met cd-roms en internet. Ook de bibliotheken verdienen deel uit te maken van een goed georganiseerd stelsel dat hen steunt bij hun werk.
Dit advies beschrijft het huidige stelsel (hoofdstuk 2), een voorstel voor het toekomstige stelsel (hoofdstuk 3) en het drie à vier jarige traject van implementatie (hoofdstuk 4).
Als in een vernieuwd stelsel de taken duidelijk verdeeld zijn, zullen besluiten sneller tot stand komen. Dat is nodig, omdat de bibliotheken in een vlot tempo de kansen die zich voordoen moeten benutten, zoals samenwerking met het onderwijs, nu de scholieren via het Studiehuis leren om kennisbronnen te gebruiken. Ook de problemen zijn dringend. Het publieksbereik dreigt te stagneren, er is te weinig bekend over de wensen van gebruikers en niet-gebruikers en de bibliotheken hebben behoefte aan nieuwe financieringsbronnen, zodat zij meer nieuwe diensten kunnen ontwikkelen en kunnen investeren in de nieuwste ICT-mogelijkheden.
In het stelsel van organisaties die samen de openbare bibliotheek vormen, is de samenhang verzwakt. Alle betrokken partijen (NBLC, OCenW, IPO en VNG) onderkenden dit. In maart 1998 vroeg de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Raad voor Cultuur om advies. Dit advies kwam op 12 november 1998 ('De bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk'). De overheden en organisaties onderschreven inderdaad de analyse en de noodzaak tot schaalvergroting, maar niet de wijze waarop. In juli 1999 heeft de staatssecretaris daarom een stuurgroep ingesteld voor een nieuw advies, in overleg met de bibliotheekwereld en de betrokken overheden.
Is het huidige, historisch gegroeide openbare bibliotheekstelsel nog adequaat of is een vernieuwd stelsel nodig? Het moest een advies worden dat op draagvlak kan rekenen in de bibliotheekwereld en bij de overheden. De opdracht was een oplossing te bieden voor twee knellende vragen:
• Waar ligt de nieuwe positie van de openbare bibliotheek in de zoektocht van gebruikers naar de relevante kennisbronnen?
• De bibliotheken moeten investeren in nieuwe diensten. Tegelijk neemt de financiële druk toe door de leenvergoeding, adv en verruiming van de openingstijden.
In bijlage 1 is de volledige taakopdracht opgenomen.
Het vernieuwde bibliotheekstelsel wordt een stevig bouwwerk waarin alle partners hun eigen unieke waarde krijgen. Anders dus dan een verzameling posities, 'losse stenen', die bijeengeraapt worden tot een wankele bouwval. Dit rapport beschrijft hoe de rijksoverheid, de provincies, de gemeenten en de bibliotheekorganisaties er samen voor kunnen zorgen dat er een sterk openbaar bibliotheekstelsel ontstaat.
De stuurgroep heeft zich een beeld gevormd van het functioneren van het openbaar bibliotheekstelsel op dit moment en het gewenste toekomstige functioneren. In dit hoofdstuk worden de uitdagingen beschreven waar het openbaar bibliotheekwerk voor staat en de knelpunten vastgesteld die om een oplossing vragen. Het hoofdstuk start met de doelstelling van het openbare bibliotheekwerk, een historische schets en een beschrijving van het huidige openbare bibliotheekstelsel.
De doelstelling van het openbare bibliotheekwerk is om de burgers te stimuleren met informatie- en kennisvragen naar de openbare bibliotheek te komen en actief te bemiddelen in de beantwoording daarvan. Deze algemene doelstelling van het openbaar bibliotheekwerk is goed verwoord in het UNESCO-statuut voor het openbare bibliotheekwerk (1994).
"Vrijheid, welvaart, ontplooiing van de samenleving en het individu zijn fundamentele menselijke waarden. Deze kunnen alleen worden gerealiseerd door goed geinformeerde burgers, die in staat zijn hun democratische rechten uit te oefenen en een actieve rol te spelen in de samenleving. Constructief deelnemen aan het maatschappelijk leven en meewerken aan het vormgeven van de democratie zijn afhankelijk van voldoende opleiding en van vrije en onbeperkte toegang tot kennis, wetenschap, cultuur en informatie. De openbare bibliotheek, de plaatselijke toegangspoort tot kennis, schept een essentiele voorwaarde voor levenslang leren, onafhankelijke besluitvorming en de culturele ontwikkeling van individuen en maatschappelijke groeperingen."
1 Belangrijkste bron: Supplement bij 'beroepsprofiel bibliothecaris openbare bibliotheken', eindrapport van de commissie Beroeps profiel, Vereneging NBLC, 1994
• De bibliotheekbranche bestaat uit een g root aantal lokale bibliotheken met vele vestigingen, die de front offices vormen van het openbare bibliotheekwerk. Een dertiental lokale bibliotheken verzorgt bovendien, voor het merendeel in opdracht van de provincies, de wetenschappelijke steunfunctie (WSF). De Provinciale Bibliotheek Centrales (PBC's) ondersteunen de kleinere lokale bibliotheken op het gebied van directie, administratie en werkgeverschap. Verder bieden zij een aantal facilitaire voorzieningen aan.
De Vereniging NBLC voert taken uit die de doelmatigheid, samenhang, kwaliteit en pluriformiteit binnen het openbaar bibliotheek stelsel moeten bevorderen (de stelseltaken) en is voorts de belangenbehartiger van de branche.
• De bibliotheekorganisaties zijn grotendeels gesubsidieerde private instellingen. Ze worden gefinancierd door de gemeenten, de PBC's door de provincies en de Vereniging NBLC door de rijksoverheid. De bibliotheken verwerven ruim een vijfde deel van hun inkomsten uit andere bronnen.
• Van belang voor het stelsel zijn de Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD) en Biblion BV. De NBD is de gezamenlijke media-inkoop- en -verwerkingsorganisatie van de branche. Hij wordt bestuurd door vertegenwoordigers van de boekenbranche en de Vereniging NBLC en vormt zo de verbinding tussen beide. Biblion is een commerciële organisatie met historische binding met de bibliotheekbranche. Zij vormt een belangrijke schakel in de collectievorming van bibliotheken door het leveren van aanschaf- en catalogusgegevens.
Tijdens haar onderzoek is de stuur groep onder de indruk geraakt van hetgeen er binnen het openbare bibliotheekstelsel in Nederland in de afgelopen decennia is bereikt. Er bestaat een uitgebreid en fijnmazig stelsel van bibliotheekvoorzieningen. De openbare bibliotheken kennen een sterke lokale verankering en door besturen, directies en medewerkers in het bibliotheekwerk wordt veel en goed werk verricht. Verder constateert de stuurgroep dat op tal van plekken sprake is van innovaties en het ontstaan van nieuwe samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld tussen bibliotheken onderling en tussen PBC's en bibliotheken.
De stuurgroep heeft echter ook moeten constateren dat de veranderingen in de omgeving van het bibliotheekwerk sneller gaan dan het huidige stelsel kan bijbenen. De ontwikkelingen bevinden zich in een stroomversnelling. Een vitalisering is nodig om de bibliotheek ook in de toekomst een deskundige kenniswegwijzer en kwaliteitsbewaker te laten zijn. De stuurgroep ziet daarbij de volgende uitdagingen.
• De impact van de revolutionaire ontwikkelingen op het gebied van ICT raakt de bibliotheken in de kern van haar bestaan. De komst van internet betekent dat toekomstige gebruikers niet meer de deur uit hoeven om de informatie te krijgen die ze zoeken. De stuurgroep ziet een dubbelstructuur ontstaan waarbij naast fysieke ook virtuele bibliotheken opereren. De uitdaging is om een goede aansluiting te vinden tussen de virtuele en de fysieke bibliotheken. De ontwikkeling dat tussenpersonen alleen een rol blijven spelen als zij voor de klant een duidelijke meerwaarde hebben (dis-intermediating) zal ook bij bibliotheken een rol gaan spelen. Daarom is een veel s terkere relatie met de gebruikers van wezensbelang.
• De stortvloed aan beschikbare informatie maakt een goed gebruik van steeds weer nieuwe media en het kritisch kunnen omgaan met de zo verkregen informatie steeds belangrijker om in de samenleving volwaardig mee te kunnen doen. Er is een gevaar dat bestaande maatschappelijke ongelijkheden worden versterkt, maar ook een kans om deze juist te verkleinen. Bibliotheken die hun gebruikers goed kennen, kunnen hier een sleutelrol spelen.
• De branche is sterk aanbod- en intern gericht. In het bibliotheekwerk staan nog te veel de eigen beleidsdoelstellingen centraal; er is (geaggregeerd) weinig bekend over de wensen en opvattingen van de gebruikers en vooral de niet-gebruikers.
• Het bibliotheekpersoneel staat voor een ingrijpende cultuuromslag in taken en wijze van dienstverlening. Het beroepsprofiel verandert en verdere professionalisering van het vak (éducation permanente) en functie-innovatie zijn noodzakelijk. Het bibliotheekpersoneel vergrijst, instroom van jonge mensen is noodzakelijk. Om deze omslag mogelijk te maken is een forse investering nodig in het "human capital" van de branche.
• Het openbaar bibliotheekwerk in Nederland is in de kern een publieke functie. Het is echter wenselijk dat bibliotheekorganisaties op zoek gaan naar aanvullende inkomstenbronnen. Enerzijds vanuit overwegingen van doelmatigheid en kosteneffectiviteit. Anderzijds is cultureel ondernemerschap ook van groot belang om met nieuwe diensten het publieksbereik te vergroten: nieuw publiek voor nieuwe en bestaande diensten en bestaand publiek voor nieuwe diensten. Creativiteit, innovatie en originaliteit zijn daarbij onmisbaar.
• Openbare bibliotheken bieden door hun brede geografische spreiding en g root bereik veel mogelijkheden om bij te dragen aan het vergroten van het publieksbereik van cultuuruitingen. De prog rammering van cultuuruitingen vindt vooral in de gemeenten plaats. De bibliotheek als podium voor muziek, voorstellingen, lezingen, tentoonstellingen en literatuurpresentaties, bevordert één van de centrale doelstellingen in het cultuurbeleid: het ver groten van het cultuurbereik.
Om op bovengenoemde uitdagingen een antwoord te formuleren, moet ook een oplossing worden gevonden voor een aantal knelpunten die de stuurgroep binnen het huidige openbare bibliotheekstelsel heeft aangetroffen.
• Het publieksbereik van de openbare bibliotheken is zeer groot, maar stagneert. "Ontlezing" vindt plaats onder vrijwel alle bevolkingsgroepen.
• Sommige maatschappelijke groepen kunnen moeilijk meekomen in de informatiemaatschappij. Het niet-gebruik van de bibliotheek blijkt in de praktijk meermalen samen te hangen met achterstanden die ook op andere ter reinen van overheidszorg aan de orde zijn. De bibliotheken behoren een actieve rol spelen om een informatietweedeling in de maatschappij te voorkomen. Dat betekent dat zij achterstandsgroepen actief moeten benaderen en hen uitnodigen gebruik te maken van de bibliotheek.
• Er zijn veel goede voornemens en knappe anal yses gemaakt, maar de besluitvor mingscapaciteit van de branche is zwak. Ook door de branche zelf wordt geconstateerd dat de voorzieningen te gelaagd, versnipperd en overlappend zijn. Veel voornemens om de branche te versterken blijven (lang) onuitgevoerd.
• De verschillende overheden (Rijk, provincies en gemeenten) tonen een wisselende en soms te geringe betrokkenheid bij het openbare bibliotheekwerk. Die betrokkenheid is cruciaal voor de toekomst van de voorziening. Het ontbreken daarvan vormt een bedreiging voor de algehele kwaliteit van het bibliotheekwerk.
• De bibliotheekbranche moet grote investeringen doen in de eigen kernfuncties en in professionalisering. Tegelijk neemt de financiële druk toe door o.a. nieuwe diensten, de leenvergoeding, adv en de verruiming van de openingstijden. Dat vraagt om meer zakelijkheid en ondernemingszin enerzijds en anderzijds een vergroting van de financiële zekerheid.
• De informatie over en binnen de branche is zeer gebrekkig (incompleet en onbruikbaar geaggregeerd); er is weinig actueel vergelijkend cijfermateriaal te krijgen. Moderne instrumenten als benchmarking, waardoor de prestaties van de organisaties binnen het stelsel inzichtelijk worden, zijn moeilijk toe te passen. Het ontbreken van die informatie gaat ten koste van de transparantie ten opzichte van de opdrachtgevers, maar binnen de branche ook ten koste van het "lerend vermogen" van de organisaties.
Dit hoofdstuk bevat een schets van de eindsituatie van het door de stuurgroep beoogde toekomstige openbare bibliotheekstelsel.
Allereerst wordt beschreven aan welke (functionele) eisen een goed functionerend stelsel, naar het oordeel van de stuurgroep, in de toekomst moet voldoen. Vervolgens worden de verschillende domeinen behandeld:
Per domein worden de belangrijkste organisaties beschreven, waarbij wordt ingegaan op:
Ten slotte wordt ingegaan op het samenspel tussen bibliotheekbranche en overheden.
Het toekomstig stelsel is geen waarde op zich maar moet een antwoord bieden op de beschreven uitdagingen en knelpunten. Het zal een dynamisch en transparant stelsel moeten zijn dat voldoet aan de volgende eisen.
De voorstellen van de stuurgroep zullen leiden tot aanzienlijke veranderingen. De stuurgroep staat een publiek stelsel voor ogen dat meer dan nu functioneert als een netwerk. De kern van het netwerk ligt bij de nieuw te vormen basisbibliotheken. Deze voeren in opdracht van de gemeente gebruikersgericht de kernfuncties uit, daarbij gesteund door een stevige branchevereniging. De overheden (gemeenten, provincies en rijksoverheid) stemmen regelmatig hun beleid afin het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken en plegen op basis daarvan overleg met de branchevereniging. Het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg zorgt voor de adequate samenwerking tussen de branche en de gezamenlijk optredende overheden. De taken van de Provinciale Bibliotheek Centrales (PBC's) zullen worden overgenomen door enerzijds de basisbibliotheken en anderzijds door nieuw te vormen regionale facilitaire bibliotheekbedrijven. Net als andere toeleveranciers als de Nederlandse Bibliotheek Dienst zullen zij in een co-maker-relatie met de basisbibliotheken samenwerken. De rol van de provincie wordt die van regisseur van het bibliotheekstelsel.
Al met al kan met recht van een fundamentele stelselherziening worden gesproken. De stuurgroep is van mening dat zij een samenhangend pakket van voorstellen voorlegt dat integraal dient te worden ingevoerd.
Voor de gebruikers is de bibliotheek in de eerste plaats de vestiging in de buurt waarvan zij zelf gebruik maken. De fijnmazigheid van het netwerk van bibliotheekvestigingen is een groot goed, juist omdat bibliotheken nog dichtbij zijn, waar andere culturele voorzieningen zowel letterlijk als figuurlijk op veel grotere afstand staan. In dit verband moet ook de rol van de duizenden vrijwilligers in het bibliotheekwerk worden onderstreept: zonder hun inzet zouden er minder vestigingen (mogelijk) zijn. Maar hun inzet is ook van intrinsiek belang om het openbaar bibliotheekwerk in de samenleving te verankeren. Tegelijk geldt hier net als bij andere vormen van vrijwilligerswerk dat er een groeiende spanning is tussen de eisen die burgers aan de bibliotheek stellen enerzijds en de beschikbaarheid van vrijwilligers anderzijds. Daarom is het van wezenlijk belang dat iedere vestiging in ieder geval kan terugvallen op een adequate beroepsmatige ondersteuning. Daarom is in dit advies uitgegaan van basisbibliotheken waarin die ondersteuning in ieder geval gewaarborgd is. Het is daarbij uitdrukkelijk de bedoeling van het advies dat de spreiding van vestigingen en de inzet van vrijwilligers zoveel mogelijk ruggensteun krijgen. De in dit advies bepleite fusies hebben dus zeker niet de bedoeling dat bestaande vestigingen worden gesloten.
Het bibliotheekwerk is een publieke voorziening. Gebruikers zullen niet makkelijk "stemmen met de voeten" door gebruik te maken van een bibliotheek in een andere gemeente. In een vraaggericht stelsel is het daarom van belang dat de rol en invloed van de gebruiker beter wordt verankerd. Daarom adviseert de stuurgroep dat voor elke vestiging een gebruikersraad wordt ingesteld. Deze raad zorgt voor periodieke toetsing van en advies over het dienstverleningsniveau van de bibliotheek.
Daarnaast ontwikkelt de branchevereniging een landelijk gebruikersstatuut, waarin de rechten en plichten van de gebruiker in het openbaar bibliotheekwerk zijn uitgewerkt. De rechten betreffen bijvoorbeeld de toegang tot alle publiek toegankelijke en binnen de taakopdracht van de openbare bibliotheek relevante (digitale) informatie binnen een bepaald tijdsbestek.
Naast het contact met de gebruikers is het ook van belang dat de bibliotheken zicht krijgen op de wensen en behoeften van de burgers die geen gebruik maken van de bibliotheek. De stuurgroep acht het actief benaderen van deze groepen van groot belang en stelt voor om daartoe instrumenten te ontwikkelen (zoals bijvoorbeeld burgerpanels en andere marketingstrategieën).
Binnen de branche onderscheiden we in de toekomst slechts twee typen organisaties: de basisbibliotheken en branchevereniging.
De basisbibliotheken zijn de kern van het stelsel. Met hun maatschappelijke verankering zijn ze het gezicht naar buiten en de belangrijkste bouwstenen voor het bibliotheekwezen. De basisbibliotheek kent veelal meerdere vestigingen. Soms valt het verzorgingsgebied van een basisbibliotheek samen met een gemeentegrens, in andere gevallen omvat zij verschillende gemeenten of een regio.
In de basisbibliotheek krijgen de kernfuncties vorm. Deze geven invulling aan de algemene doelstelling van de openbare bibliotheek: "de burgers stimuleren met hun informatie- en kennisvragen naar de openbare bibliotheek te komen en actief bemiddelen in de beantwoording daarvan".
De kernfuncties bestaan uit enerzijds primaire functies, dit zijn de inhoudelijke functies:
Anderzijds bestaan de kernfuncties uit ondersteunende functies, dat wil zeggen functies die de uitvoering van de primaire kernfuncties mogelijk moeten maken:
De kernfuncties omvatten zowel front-office als back-office taken. In bijlage 4 is een beschrijving van de gehanteerde begrippen opgenomen. In bijlage 4 zijn de kernfuncties vertaald naar concrete taken.
De basisbibliotheek is verantwoordelijk voor de uitvoeringvan alle kernfuncties, met uitzondering van die taken die op landelijk niveau worden uitgevoerd (zie bijlage 4).
Daarnaast maakt de basisbibliotheek afspraken met de subsidiërende gemeenten, met de provincie of met derden over de invulling van aanvullende functies. Dit zijn functies die afgeleid zijn van de kernfuncties, zoals: de ondersteuning van het onderwijs, beheer van kleine collecties binnen instellingen, het organiseren van culturele en educatieve activiteiten, het uitvoeren van specifieke programma's op het gebied van leesbevordering en achterstand-bestrijding en informatiepunt zijn op tal van gebieden (van culturele agenda tot informatiepunt voor werkzoekenden). Voor het uitvoeren van deze functies is aanvullende financiering nodig. In bijlage 5 is een aantal voorbeelden van aanvullende diensten opgenomen.
De basisbibliotheek is meestal een zelfstandige, privaatrechtelijke organisaties met één bestuur. (In een aantal gevallen maakt de bibliotheek deel uit van de gemeentelijke organisatie.) De bibliotheekmedewerkers zijn in dienst bij de basisbibliotheek. Een basisbibliotheek staat het vrij om tussen haar vestigingen te differentiëren naar niveau van dienstverlening (hiermee wordt aangesloten op de thans in de branche ontwikkelde gedachten inzake brancheformules).
De primaire opdrachtgever van de basisbibliotheek is de gemeente. In het contract met de gemeente(n) wordt de gewenste omvang van de dienstverlening vastgelegd, zoals het aantal vestigingen binnen de gemeente, openingstijden en ook de vormen van aanvullende dienstverlening. Om dat naar behoren te kunnen doen, is het nodig dat de gemeenten bibliotheekbeleid ontwikkelen en dat de basisbibliotheek op basis van (meerjarige) contracten wordt gefinancierd.
Jaarlijks wordt verantwoording afgelegd en inzicht gegeven door de basisbibliotheek in resultaten en kosten, door middel van een jaarverslag. Het verdient aanbeveling in de verslaglegging voor alle bibliotheken dezelfde uitgangspunten te hanteren. Op die manier ontstaat er een transparante relatie. Bovendien worden op deze wijze de kosten, maar ook de niveaus van dienstverlening, van de basisbibliotheken onderling vergelijkbaar gemaakt.
Daarnaast kan de basisbibliotheek contracten afsluiten met derden over het uitvoeren van aanvullende diensten en projecten. Daarover vindt waar nodig afstemming plaats met de subsidiërende gemeente(n). De basisbibliotheek werkt in de visie van de stuurgroep in een netwerk met andere onderwijsorganisaties en maatschappelijke en culturele partijen (horizontale verbanden) en geeft ook op die wijze invulling aan het cultureel ondernemerschap.
De basisbibliotheek kan de volgende inkomstenbronnen hebben:
De stuurgroep vindt het van groot belang dat elke gemeente een rechtstreekse opdrachtrelatie heeft met haar basisbibliotheek, dat wil zeggen: niet via een intermediaire organisatie als de Provinciale Bibliotheek Centrale. Op die wijze kunnen de gemeentelijke prioriteiten en de relaties met lokale afnemers het best gestalte krijgen.
De basisbibliotheek moet als professionele dienstverlener voor de gemeente kunnen opereren. Dat wil onder meer zeggen: zicht hebben op de karakteristieken van het verzorgingsgebied (gebruikers en potentiële gebruikers), zelfstandig beleid kunnen formuleren en zelfstandig de afweging kunnen maken tussen zelf doen of uitbesteden. De stuurgroep is van mening dat het vooral voor de kleinere bibliotheken die nu door de PBC's worden ondersteund, een flinke opgave is om op deze wijze op eigen benen te staan. Daarom meent zij dat professionalisering door schaalvergroting in die gevallen noodzakelijk is, dat wil zeggen: fusie van twee of meer bibliotheken tot één zelfstandige en krachtige basisbibliotheek.
De huidige (uitvoerende en ondersteunende) directievoerende taken van de PBC's ten behoeve van lokale bibliotheken worden overgedragen aan de betreffende basisbibliotheken. Dit betekent ook dat een deel van de PBC-medewerkers een nieuwe, passende werkplek zullen moeten krijgen in een basisbibliotheek. De gecontroleerde overgang van taken van de PBC naar de basisbibliotheken moet gepaard gaan met een overgang van de bijbehorende financiële middelen. De provincie speelt in dit proces een regisserende rol.
De stuurgroep gaat in haar advies uit van een relatief kleine schaal van de basis bibliotheek. Dit uit oogpunt van een goede dienstverlening aan de (potentiële) gebruikers. Het uitgangspunt is: "zo groot als nodig en zo klein als mogelijk". De norm voor de minimale omvang van een basisbibliotheek is dat zij tenminste moet kunnen voldoen aan een bepaald (basis)kwaliteitsniveau van functioneren, uitgedrukt in de onderstaande prestatie-eisen. Deze eisen betreffen zowel de gewenste output als de wijze waarop die tot stand komt (through-put).
Deze prestatie-eisen moeten nog nader geconcretiseerd worden en vastgesteld in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken. Hierbij wordt aangetekend dat bepaalde prestatie-eisen ook kunnen worden gerealiseerd door samenwerking met andere basisbibliotheken.
Het in opdracht van de stuurgroep uitgevoerde financiële onderzoek2 geeft aanwijzingen dat bibliotheken met een verzorgingsgebied beneden de 30 à 35.000 inwoners over het algemeen moeite hebben aan dergelijke prestatie-eisen te voldoen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat bij bibliotheken met een verzorgingsgebied tussen de bandbreedte van 35 tot 80.000 inwoners er sprake is van een optimalisatie van het prestatieniveau. Er zijn geen aanwijzingen dat een verzorgingsgebied boven de 80.000 financiële meerwaarde oplevert.
2De stuurgroep heeft aanvullend financieel onderzoek laten uitvoeren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet representatief voor de bibliotheekbranche, maar kunnen wel indicatief worden gebruikt.
Gezien deze inzichten wil de stuurgroep een dringend advies geven aan bibliotheken met een verzorgingsgebied beneden de minimumgrens van 35.000 om te fuseren, zodat kan worden voldaan aan de prestatie-eisen.
Hierbij acht de stuurgroep het van belang om te stellen dat deze minimum-omvang niet gelijk staat aan de optimale omvang van een basisbibliotheek. Het financiële onderzoek was toegespitst op de kernfuncties. In de praktijk kunnen het vervullen van aanvullende functies en het aangaan van samenwerkingsrelaties met andere instellingen ook van groot belang zijn voor de te kiezen schaal. Daarom is het voor iedere bibliotheekorganisatie van belang om zich te bezinnen op de meest geëigende omvang van het verzorgingsgebied en hierover een constructieve discussie met anderen aan te gaan.
Op dit moment zijn op veel plaatsen al (samenwerkende) bibliotheken met een (veel) groter verzorgingsgebied. Op andere plaatsen is een proces van schaalvergroting succesvol in gang gezet. De stuurgroep verwacht dat in andere regio's basisbibliotheken, om te kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen en verwachtingen van gebruikers, zullen gaan fuseren dan wel gaan samenwerken in grotere samenwerkingsverbanden. Daarbij is het van belang dat de omvang van de basisbibliotheek zich optimaal verhoudt tot de specifieke voorwaarden van het verzorgingsgebied. De optimale omvang van een basisbibliotheek in stedelijk gebied zou bijvoorbeeld anders kunnen zijn als die in een ruraal gebied.
De basis bibliotheek is verantwoordelijk voor de uitvoering van de front-office en backoffice taken. Een basisbibliotheek kan besluiten dat het nuttig en wenselijk is de uitvoering van een deel van de backoffice taken uit te besteden aan derden. Een mogelijkheid hiervoor is het aangaan van regionale of provinciale samenwerkingsverbanden met andere basisbibliotheken. Bijvoorbeeld door onderling een aantal backoffice taken te verdelen of afspraken te maken over (elkaar aanvullende) specialisaties binnen het dienstenaanbod binnen de regio.
De samenwerkingsverbanden worden geïnitieerd, bestuurd en gefinancierd door de participerende basisbibliotheken. De provincies hebben in dit proces een belangrijke stimulerende rol. Dat proces krijgt binnen een aantal provincies thans al op verschillende wijzen vorm (o.a. in Overijssel, Groningen, Zeeland, Limburg). De stuurgroep verwelkomt deze initiatieven en meent dat op dit punt geen uniforme aanpak moet worden voorgeschreven, maar dat waar mogelijk aangesloten moet worden bij lopende ontwikkelingen.
Alle basisbibliotheken worden geacht lid te zijn van de branchevereniging. De branchevereniging is georganiseerd als een ledenorganisatie en kent een eigen bestuurlijke structuur. Zij beschikt over een klein, hoogwaardig bureau. De branchevereniging zal veel activiteiten dan ook uitbesteden aan derden. Naast kennis op het gebied van bibliotheekwerk en facetkennis vraagt dat ook kennis van en ervaring met de rol van opdrachtgever.
De branchevereniging is de vanzelfsprekende vertegenwoordiger van de branche. Zij voert de volgende taken uit:
Zij voert deze taken uit in opdracht en ten behoeve van haar leden.
Daarnaast zal de branchevereniging in opdracht van het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken verschillende onderwerpen ter hand nemen, waarmee de uitvoering van de stelseltaken (bevorderen van de doelmatigheid, samenhang, kwaliteit en pluriformiteit van het openbare bibliotheekstelsel) vorm krijgt.
De branchevereniging is bij uitstek geschikt voor de uitwerking van onderwerpen waar medewerking van en draagvlak onder de basisbibliotheken nodig is. Dit leidt tot de volgende taken:
De kaders voor deze onderwerpen worden geformuleerd in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken.
De uitvoering van de taken ten behoeve van de leden wordt gefinancierd uit de ledencontributies. Voor de werkzaamheden die bijdragen aan de stelseltaken ontvangt de branchevereniging financiering van de rijksoverheid. Die bijdragen kunnen deels een structureel karakter dragen en deels bestaan uit projectsubsidies.
Het bibliotheekstelsel blijft ook in de toekomst een overwegend publiek stelsel. Er zijn weinig nieuwe toetreders in de branche te verwachten en de concurrentie binnen de branche zal vooral plaatsvinden op kwaliteit. De marktpositie van de toeleveranciers is in dat geval van belang. De keuze van een bibliotheek voor een leverancier wordt bepaald door prijs, kwaliteit maar ook de mate waarin een leverancier bereid is om co-maker-relaties aan te gaan met de afnemers en andere partijen in de branche. Daarbij denkt de stuurgroep aan zaken zoals het oppakken van innovatieve ideeën uit de branche en vertalen daarvan in nieuwe producten.
De regionale facilitaire bibliotheekbedrijven bieden aan de basisbibliotheken diensten aan op het gebied van bijvoorbeeld automatisering, financiële administratie, inkoop, expeditie/transport, beheer wisselcollecties en beheer van de bibliobus. Zij werken vooral in opdracht van de basisbibliotheken, maar ook voor derden zoals de provincies (voor uitwerking van provinciaal beleid) en de branchevereniging.
De regionale facilitaire bibliotheekbedrijven zijn privaatrechtelijke instellingen zonder winstoogmerk. Zij komen voort uit een deel van de huidige PBC's en worden onder regie van de provincies ingericht. Na een overgangsfase van drie tot vier jaar trekken de provincies zich uit de besturing terug. De stuurgroep stelt zich voor dat er uiteindelijk door fusies circa 4 à 5 regionale facilitaire bibliotheekbedrijven overblijven.
In de eindsituatie verkrijgen de regionale facilitaire bibliotheekbedrijven hun inkomsten uit de producten en diensten die zij aan de basisbibliotheken en andere opdrachtgevers leveren. In de overgangsfase worden zij deels gefinancierd door de provincies. Daarnaast moeten garanties worden gegeven dat de continuïteit van de bedrijfsvoering tijdens het veranderingsproces niet in gevaar komt.
Hierover worden in een convenant afspraken gemaakt. Ter uitwerking daarvan sluiten de afzonderlijke basisbibliotheken contracten met de regionale facilitaire bibliotheekbedrijven.
De provinciale middelen die na de overgangsperiode vrijvallen, blijven bestemd voor het provinciale bibliotheekbeleid.
De taken van de NBD blijven ten opzichte van de huidige situatie in principe ongewijzigd. Hij heeft tot taak voor de bibliotheekbranche media centraal in te kopen en te verwerken. Hij is een stichting die wordt bestuurd door vertegenwoordigers van de boeken- en de bibliotheekbranche en in die zin te typeren als een hybride organisatie. De stuurgroep is van mening dat daarmee de aansturing niet eenvoudig is, maar heeft tevens geconstateerd dat er tevredenheid bestaat over de wijze waarop de NBD opereert en vindt dat een belangrijk argument. Van de NBD mag verwacht worden dat hij zich opstelt als uitvoeringspartner, innovaties oppakt en deze samen met de branche verder ontwikkelt.
Daarnaast zullen er andere toeleveranciers op de bibliotheekmarkt actief zijn, zoals Biblion BV. Dit zijn commerciële organisaties die producten en diensten aan basisbibliotheken of de branchevereniging aanbieden.
Bij de vormgeving van een nieuw bibliotheekstelsel is de inzet van de overheden van groot belang: als opdrachtgever (gemeenten), regisseur (provincie), en eindverantwoordelijke (rijk). De stuurgroep hecht eraan te benadrukken dat de voorgestelde stelselherziening niet zou moeten leiden tot een afname van overheidsbetrokkenheid in financiële of inhoudelijke zin. Het tegendeel is het geval: haar voorstel leidt ertoe dat de betrokkenheid juist wordt vergroot.
De gemeente formuleert als opdrachtgever het gewenste aanbod van bibliotheekdiensten binnen haar gemeente. Zij sluit een contract af met de basisbibliotheek en zorgt daarmee voor een bibliotheekvoorziening op maat. Op dit punten komen dan alle gemeenten, groot en klein, in dezelfde positie.
De gemeenten zijn niet geheel vrij in de bepaling van het aanbod van bibliotheekdiensten: er is een basisniveau van dienstverlening die een bibliotheek moet kunnen waarborgen en die door de gemeente gefinancierd moet worden. De kwaliteitseisen, vastgelegd in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken, geven de ondergrens van het dienstverleningspakket aan. In een kwaliteitssysteem wordt getoetst of deze ondergrens inderdaad wordt gerealiseerd. Het kwaliteitssysteem zal in sommige gevallen voor bibliotheken aanleiding zijn te fuseren tot een grotere basisbibliotheek. In die gevallen sluiten dus meerdere gemeenten contracten af met één basisbibliotheek.
Van de gemeente wordt ook verwacht dat zij verbanden met andere lokale speerpunten legt: sociaal beleid, jeugdbeleid, informatie- en mediabeleid en de ontmoetingsfunctie (bv. conform het cultuurhuis -concept). Dat wordt vertaald in aanvullende dienstverleningsafspraken. De gemeente kan dus altijd kiezen voor een "pluspakket" gekoppeld aan de lokale prioriteiten.
De stuurgroep wil de rol van de provincie omschrijvenals die van regisseur van het bibliotheekstelsel in de eigen provincie. In de eindsituatie ziet de stuurgroep drie vitale taken voor de provincie binnen het openbaar bibliotheekwerk:
Voor deze rol beschikt de provincie over een aantal instrumenten. In haar bibliotheekbeleidsplan geeft ze aan wat zij ziet als relevante beleidsthema's in de branche en op welke wijze zij innovaties en vernieuwingen wenst te stimuleren. Verder kan zij een provinciaal/regionaal netwerkoverleg van directies van basisbibliotheken instellen (bibliotheekplatform) dat zich bezighoudt met afstemming, consultatie en advisering aangaande regio- en provinciespecifieke bibliotheekvraagstukken. Ook kan zij partijen bij elkaar roepen voor het uitvoeren van speciale projecten. Voorts kan de provincie over aanvullende functies op provinciale schaal subsidiecontracten afsluiten met basisbibliotheken.
In de overgangsfase heeft de provincie tot taak (in goede samenwerking met de betrokken gemeenten) de totstandkoming te stimuleren van de basisbibliotheken en de regionale facilitaire bibliotheekbedrijven. De provincie vervult dus een sleutelrol bij het ontwikkelen van provinciale "samenwerkingsarrangementen tussen partijen", maar ook bij de omslag die in het bibliotheekstelsel moet worden gemaakt.
De stuurgroep wenst daarmee aan te sluiten op een ontwikkeling die al binnen een aantal provincies in gang is gezet.
In de overgangsperiode worden de provinciale middelen, bestemd voor het bibliotheekwerk voor een deel besteed aan ondersteuning van de regionale facilitaire bibliotheekbedrijven en voor een ander deel door gedecentraliseerd naar de basis bibliotheken. Denkbaar is dat voor stimulerings- c.q. innovatieve activiteiten een bepaalde financiële ruimte beschikbaar wordt gehouden. Over de wijze waarop de doordecentralisatie vorm krijgt, is nader overleg wenselijk. De stuurgroep steltvoor dat dat in eerste instantie plaatsvindt op basis van een convenant. Het zal in de eindsituatie bevestigd moeten worden in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken en vastgelegd worden door herziening van de verdelingscriteria voor het Gemeente- en Provinciefonds.
De rijksoverheid is uiteindelijk verantwoordelijk voor het functioneren van de openbare bibliotheken als stelsel.
De stelseltaken houden een vergroting in van de doelmatigheid, samenhang, kwaliteit en pluriformiteit van het stelsel openbaar bibliotheekwerk. Daarnaast kan de rijksoverheid haar "eigen" beleidsdoelstellingen voor het bibliotheekwerk formuleren, bijvoorbeeld aanvullende inspanningen voor leesbevordering, culturele educatie en internationale samenwerking. Zij heeft als instrumenten: de financiering van de branchevereniging voor uitvoeringvan de stelseltaken, de inhoudelijke inbreng in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken, de financiering van het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg en projectsubsidies.
In het toekomstige stelsel verandert de rol van de rijksoverheid niet wezenlijk van karakter. Wel is de stuurgroep van mening dat die rol nadrukkelijker kan worden gearticuleerd en ingebed, o.a. in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken.
Door de bestuurlijke betrokkenheid bij het bibliotheekwerk te vergroten, wordt de vrijblijvendheid in het stelsel verminderd en de samenhang bevorderd. De stuurgroep is daarom een voorstander van het versterken van het overleg over het bibliotheekwerk dat al bes taat in het kader van de bestuursafspraken van rijksoverheid, IPO en VNG over het cultuurbeleid. Om de versterking en verdieping van het bestaande overleg te benadrukken, gebruikt de stuurgroep de naam 'Bestuurlijk Overleg Bibliotheken'. Dit is dus geen nieuw in te stellen gremium.
In het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken stemmen de overheden (gemeenten, provincies en rijksoverheid), met behoud van hun eigen verantwoordelijkheden, regelmatig hun beleid af. Op basis daarvan plegen zij overleg met de bibliotheekbranche. De eerste jaren ziet de stuurgroep als belangrijkste agendapunten voor het Bestuurlijk Overleg:
In de overgangsfase is het Bestuurlijk Overleg opdrachtgever van de procesmanager voor de implementatie van het nieuwe openbare bibliotheekstelsel.
Het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken bestaat uit vertegenwoordigers van de rijksoverheid, provincies (IPO) en gemeenten (VNG) en kent een "ambtelijk vooroverleg". De branchevereniging is zijn vaste adviseur. Het overleg komt 2 à 3 keer per jaar bijeen en wordt ondersteund door een secretariaat.
Het Bestuurlijk Overleg wordt ondersteund door een secretariaat. Dit secretariaat is de uitvoerende arm van het overleg, fungeert als de 'ogen en oren' ervan en vormt waar nodig de interface met de branche.
Het secretariaat heeft de volgende taken:
Het secretariaat is een kleine, professionele en slagvaardige organisatie. Wat betreft de inhoud van haar werkzaamheden valt zij onder de verantwoordelijkheid van het Bestuurlijk Overleg. De rechtspositionele onderbrenging zal in het overleg nader uitgewerkt moeten worden.
Het secretariaat wordt gefinancierd door de rijksoverheid.
De branchevereniging en het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken als de 'vertegenwoordiger' van de gezamenlijke overheden hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van het stelsel. Ze hebben ieder verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Daarmee worden er "checks and balances" ingebouwd in het stelsel.
In het Bestuurlijk Overleg worden de kaders vastgesteld, waarbij de branchevereniging adviseert. Vervolgens zorgt de branchevereniging ervoor dat de basisbibliotheken invulling geven aan de in het Bestuurlijk Overleg gemaakte afspraken. Binnen het Bestuurlijk Overleg spreken de betrokken overheden elkaar hierop aan. Het secretariaat toetst vervolgens de voortgang van de uitvoering van de afspraken en rapporteert zijn bevindingen aan het Bestuurlijk Overleg.
De stuurgroep meent dat op deze wijze de vrijblijvendheid die de huidige manier van samenwerken binnen het bibliotheek stelsel kenmerkt wordt ingeperkt zonder dat een "klassieke" "top-down"-sturing wordt gecreëerd. Zo komt er parallel zowel in de branche als bij de overheden een moderne netwerkstructuur tot stand.
Hieronder wordt het samenspel tussen branche en overheden nader geduid aan de hand van twee, voor de ontwikkeling van het bibliotheekwerk, zeer belangrijke onderwerpen: ICT-infra-structuur en kwaliteitszorg.
De openbare bibliotheken staan voor de uitdaging om een antwoord te vinden op de revolutionaire ontwikkelingen op het gebied van ICT. De stuurgroep onderschrijft de mening van diegenen in de branche die vinden dat daardoor nieuwe kansen ontstaan (zoals de "virtuele bibliotheek") en dat een voortvarende aanpak nodig is. Zonder gerichte regie en een gezamenlijke inzet van ICT-middelen kunnen (gezien het niveau van investering) de voorgestane vernieuwingen gevoeglijk worden vergeten.
In het toekomstige stelsel zal in het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken besloten worden om te komen tot een samenhangende ICT-infrastructuur. Daarbij kunnen randvoorwaarden worden geformuleerd, zoals:
Het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg krijgt vervolgens de opdracht om afspraken te maken met de branchevereniging.
De branchevereniging zorgt er daarna voor dat een ICT-plan wordt opgesteld, hetzij door haarzelf, hetzij door een derde partij. Deze werkzaamheden worden gefinancierd uit het budget dat zij krijgt van de rijksoverheid om de stelseltaken uit te voeren. Bij de opstelling van het ICT-plan dienen de basisbibliotheken een rol te krijgen, bijvoorbeeld verenigd in een platform of werkgroep. Het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg volgt de voortgang van de opstelling van het ICT-plan en brengt daarover verslag uit aan het Bestuurlijk Overleg.
Het ICT-plan, inclusief de daarmee gemoeide investeringen, wordt aan het Bestuurlijk Overleg voorgelegd ter accordering. Vervolgens vindt uitvoering van het plan plaats, waarbij uiteraard de branchevereniging weer het voortouw heeft. In het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken vindt besluitvorming plaats en bij de uitvoering hebben de basisbibliotheken een centrale rol. Het secretariaat toetst de voortgang van uitvoering, signaleert eventuele knelpunten en rapporteert daarover aan het Bestuurlijk Overleg. In geval van stagnatie spreken de betrokken overheden elkaar aan binnen het Bestuurlijk Overleg.
De stuurgroep acht het van groot belang dat er op korte termijn een dwingend en samenhangend systeem van kwaliteitszorg in het openbare bibliotheekstelsel geïntroduceerd wordt. De basiskwaliteit van de bibliotheken wordt daardoor vastgelegd en periodiek getoetst. Dat maakt het presteren van een basisbibliotheek inzichtelijk voor opdrachtgever en gebruiker en het bevordert de transparantie van het stelsel.
De stuurgroep stelt daarbij een "gemengd" stelsel voor dat enerzijds gebaseerd is op onderling vertrouwen (horizontale benadering). Elementen daarin zijn:
Anderzijds moet het stelsel van kwaliteitszorg gemeenten en provincies de mogelijkheid bieden resultaatgericht beleid te voeren, afgestemd op het eigen gebied. Dit kan door middel van:
Tenslotte moet het kwaliteitszorgsysteem ook voor externen zichtbaar en toetsbaar zijn, zodat het de basis kan vormen voor gebruikers, branche en overheden om elkaar op hun functioneren aan te spreken; zodoende wordt vrijblijvendheid van het stelsel voorkomen. Elementen hierin zijn:
Vanuit het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken wordt de branchevereniging verzocht om een samenhangend en gedragen voorstel te doen voor kwaliteitszorg, en formuleert daarbij zijn eisen en randvoorwaarden. De branchevereniging ontwikkelt een voorstel en toetst dat bij zijn leden.
Het secretariaat volgt dit 'ontwerpproces' kritisch. In het Bestuurlijk Overleg wordt het systeem van kwaliteitszorg uiteindelijk goedgekeurd, evenals het daaraan gekoppelde implementatieplan.
Na inwerkingtreding van het kwaliteitssysteem brengt het secretariaat van het Bestuurlijk Overleg jaarlijks op basis van de onafhankelijke toetsingen een branche-brede kwaliteitsrapportage uit aan het Bestuurlijk Overleg. Bij (aanhoudende) 'under performance' van individuele bibliotheken wordt van de branchevereniging verwacht dat deze daar de betreffende basisbibliotheek op aanspreekt.
Het invoeren van het toekomstige openbare bibliotheekstelsel is een urgent, maar ook ingrijpend en veelomvattend proces. De implementatie zal zich over meerdere jaren uitstrekken. Niet alleen vanwege de wijzigingen in de (bestuurlijke) structuur, maar vooral omdat de relaties met de omgeving er anders uit komen te zien.
Op een aantal plaatsen in het land is al zichtbaar dat bibliotheekinstellingen, gemeenten en provincies bezig zijn met die omslag.
Bijvoorbeeld:
De stuurgroep acht het van belang dat van deze lopende initiatieven gebruik wordt gemaakt. Zij doet dat vanuit het besef dat het veranderingstraject alleen kans van slagen heeft als het vanuit de basis start en actief wordt ondersteund door alle partijen.
De stuurgroep onderkent dat met haar voorstellen een aanzienlijk versterkt stelsel van openbare bibliotheken ontstaat onder meer als gevolg van een grotere betrokkenheid van de overheden. De verhoudingen tussen de betrokken partijen (overheden, bibliotheekorganisaties en basisbibliotheken) zullen wijzigingen ondergaan. De stuurgroep heeft daarvoor hoofdlijnen aangegeven die naar haar oordeel innoverend en stimulerend zijn. Daarbij moest een evenwicht gevonden worden tussen enerzijds de alom erkende wens tot kwaliteitsverbetering en doelmatigheid en anderzijds de noodzaak om de zeggenschap van individuele gebruikers en overheden daadwerkelijk inhoud te geven. De stuurgroep heeft het niet tot haar taak gerekend daarvoor volledig uitgewerkte voorstellen te doen.
In dit hoofdstuk wordt eerst zo concreet mogelijk de uitdaging weergegeven waar de partijen in de branche en de overheden voor staan. Vervolgens gaan we nader in op het procesmanagement en de andere in te zetten middelen voor de implementatie.
De implementatie van het nieuwe stelsel is een activiteit die alle partijen in het veld aangaat en alleen maar succesvol kan zijn als er sprake is van een actief draagvlak en steun van alle partijen. Van zowel branche als overheden wordt verwacht dat zij hun formele en informele positie gebruiken om de verandering vorm te geven.
Van lokale bibliotheken wordt verwacht dat zij:
Van de PBC's wordt verwacht dat zij:
Van de Vereniging NBLC wordt verwacht dat zij:
Van de provincies wordt verwacht dat zij:
Het is duidelijk dat er verschillen zijn tussen de provincies onderling wat betreft de huidige situatie, tempo en vorm van het veranderingsproces en de eindsituatie. Tussen de provincies zullen nauwe banden moeten ontstaan om de implementatie enerzijds in te passen binnen de algemene, landelijke kaders en anderzijds toe te snijden op de specifieke provinciale situatie. Daarbij zullen de provincies moeten aangeven welke ondersteuning zij wensen vanuit het procesmanagement.
Van de gemeente wordt verwacht dat zij:
Van de rijksoverheid wordt verwacht dat zij:
Van het overleg Rijk/IPO/VNG inzake bibliotheekbeleid wordt verwacht dat het:
De verandering van het bibliotheek stelsel wordt getrokken en uitgevoerd door de betrokken partijen zelf. Maar de stuurgroep acht het ook van belang dat er tijdelijk een procesmanagement wordt ingesteld dat verantwoordelijk is voor het opzetten van de transitie-aanpak, het stimuleren van de uitvoering en monitoring van de voortgang.
Opdrachtgever voor de veranderingsorganisatie is het Bestuurlijk Overleg Bibliotheken. De verdere bestuurlijke inbedding van het procesmanagement is nog punt van nader overleg.
De stuurgroep pleit voor zorgvuldigheid en voortvarendheid. Zij stelt een implementatietraject voor dat circa 3 jaar beslaat nadat besluitvorming over het advies heeft plaatsgevonden. De implementatie start met de ondertekening van een koepelconvenant.
De procesmanager is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een plan van aanpak voor het implementatietraject en vervolgens voor het stimuleren en monitoren van de implementatie van het toekomstige openbare bibliotheekstelsel.
De taken van de procesmanager zijn op hoofdlijnen:
De procesmanager is in staat om het veranderingsproces op een gezaghebbende wijze mee vorm te geven en wordt in die rol ook geaccepteerd door alle partijen. Hij legt periodiek verantwoording af aan het Bestuurlijk Overleg. De procesmanager wordt ondersteund door een klein, slagvaardig en herkenbaar bureau. Het procesmanagement handelt in nauw overleg met de provincies en gemeenten en maakt zoveel als mogelijk gebruik van het groeiproces waarmee in veel provincies in een of andere vorm al een begin is gemaakt.
Om het implementatieproces vorm te geven meent de stuurgroep dat, naast de instelling van het procesmanagement, de volgende instrumenten ingezet moeten worden:
De stuurgroep is van mening, dat een herziening van het openbaar bibliotheekstelsel door middel van wetgeving veel tijd kost en een formeel karakter draagt, terwijl de opgave is om de handelingspraktijk te veranderen. Zij pleit dan ook vooralsnog niet voor een wetsherziening. De huidige wetgeving lijkt geen belemmeringen in zich te dragen voor een stelselherziening.
De stuurgroep heeft de hoofdlijnen van het toekomstig s telstel geschetst en beseft daarbij dat de uitwerking de afzonderlijke aandacht vereist van de bestuurlijke partners in het veranderingsproces. De stuurgroep gaat er vanuit dat in overleg tussen gemeenten, provincies en de branche de verantwoordelijkheden en bevoegdheden verder gepreciseerd en uitgewerkt worden volgens het uitgangspunt: robuust en stevig op hoofdlijnen, flexibel in de uitwerking. Deze uitwerking zal moeten worden neergelegd in een bestuursovereenkomst (koepelcon-venant) tussen gemeenten, provincies en rijksoverheid die voldoende inhoud heeft, zodat het een richtsnoer is voor alle betrokken partijen bij het veranderingsproces. Daarnaast stelt de stuurgroep voor dat er per provincie een convenant wordt afgesloten over de uitgangspunten voor het implementatieproces binnen de betreffende provincie.
De stuurgroep acht het van belang dat er tijdelijk extra financiële middelen beschikbaar worden gesteld om het veranderingsproces te faciliteren. Daarbij denkt zij aan middelen voor de bekostiging van:
De middelen worden steeds op project- of programmabasis toegekend en zijn bedoeld als 'accelerator'. De stuurgroep stelt voor dat in het kader van het opstellen van het koepel-convenant over de omvang van de middelen afspraken worden gemaakt. Voor de bekostiging van het procesmanagement wordt uitgegaan van een jaarlijks bedrag van f 1-1,5 miljoen.
De stuurgroep laat op deze plaats de door haar bepleite extra middelen buiten beschouwing voor onder meer: ICT, Human Resources-beleid en verruiming van het publieksbereik. Voor het welslagen van de herstructurering en met name het bereiken van de daarmee beoogde achterliggende doelen, is het noodzakelijk dat de betrokken overheden zo resultaatgericht mogelijk extra middelen voor deze onderwerpen ter beschikking stellen.
Draagvlak ontwikkelen, inspireren en communiceren zijn belangrijke taken van de procesmanager en de provincies. Dat vraagt om een professionele communicatie en omgang met betrokken partijen. De procesmanager zal communicatie-middelen moeten ontwikkelen voor zijn eigen werkzaamheden en ter ondersteuning van de activiteiten van de provincies.
Taakopdracht Stuurgroep herstructurering Openbaar bibliotheekwerk.
Op 12 november 1998 bracht de Raad voor Cultuur advies uit aan de staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg, over de bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk (bijlage). Het advies was opgesteld op grond van een verzoek van de voorganger van staatssecretaris van der Ploeg, dat op 23 maart 1998 aan de Raad voor Cultuur was gezonden. Aan de adviesaanvraag was intensief overleg van OCenW, VNG en IPO in het kader van het reguliere drie-overhedenoverleg over openbaar bibliotheekwerk voorafgegaan. De steun voor de adviesaanvraag werd dan ook bevestigd in het bestuurlijk overleg over cultuurbeleid (bijlage). De kern van de adviesaanvraag was de vraag of de bestaande bestuurlijke structuur van het openbare bibliotheekwerk nog opgewassen is tegen de vele eisen die in de kennisintensieve samenleving aan openbare bibliotheken worden gesteld. Het vraagstuk van de toenemende financiële druk op de bibliotheken, bijvoorbeeld als gevolg van de doorwerking van de leenvergoedingsregeling, de arbeidsvoorwaarden met de arbeidstijdverkorting, de verruiming van de openingstijden, hangt hier nauw mee samen. De Raad voor Cultuur kwam tot de slotsom dat ingrijpende hervormingen in de bestuurlijke organisatie van de openbare bibliotheken noodzakelijk zijn, willen de openbare bibliotheken niet het risico lopen te verworden tot gemarginaliseerde voorzieningen op de terreinen van informatie, educatie en cultuur.
Aan een analyse van de historische ontwikkelingen en een samenvatting van de eisen die aan een hoogwaardige informatievoorziening moeten worden gesteld, verbond de Raad de conclusie dat de taak- en functieverdeling binnen het stelsel van openbare bibliotheken ingrijpend moet worden herzien. De Raad bepleit sterkere verankering van het openbare bibliotheekwerk in wet- en regelgeving en ziet op dit moment de Wet op het specifiek cultuurbeleid als het meest geschikte wettelijke kader daarvoor. De Raad verbond aan het advies een voorstel voor nadere uitwerking van de hoofdlijnen in Gemeenschappelijke Regelingen.
Op 14 december 1998 vond een conferentie plaats naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur, georganiseerd door VNG, IPO en OCenW gezamenlijk, met medewerking van de Vereniging NBLC. Deelnemers waren hoofdzakelijk bestuurders en ambtenaren van gemeenten en provincies. Verder waren een aantal directeuren van openbare bibliotheken aanwezig en vertegenwoordigers van de Raad voor Cultuur. De conferentie leverde geen eenduidig beeld van de richting voor de verdere ontwikkeling, maar op een aantal onderdelen ontstond wel duidelijkheid:
De staatssecretaris van OCenW heeft, in overleg met VNG, IPO en het NBLC, besloten een Stuurgroep in te stellen die met het advies van de Raad voor Cultuur als uitgangspunt en met in achtneming van ander relevant materiaal, zoals het verslag van de conferentie van 14 december 1998, de resultaten van het project Samenhang en Kwaliteit van de Vereniging NBLC en de bevindingen en ervaringen van samenwerkingsprojecten op het terrein van het openbare bibliotheekwerk in het land binnen* een halfjaar een advies moet uitbrengen over de hoofdlijnen van het veranderingsproces voor de bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk.
* Zoals Lenen Loont in Zeeland, fusie/samenwerking PBC en stadsbibliotheek in Groningen, verniuwing ondersteuningsstructuur Overijssel, herstructuring bibliotheekondersteuning Limburg, enz.
De openbare bibliotheken vormen een samenhangend stelsel, waarvan de lokale bibliotheekvestiging de fysieke uitingsvorm is. Binnen dit netwerk functioneren op verschillende niveaus voorzieningen en netwerken van voorzieningen ten behoeve van de uitvoerende taken van de lokale bibliotheken, zoals de provinciale ondersteuningsorganisaties, de bibliotheken met wetenschappelijke steunfunctie en het landelijke bureau van de Vereniging van openbare bibliotheken NBLC. Deze voorzieningen maken deel uit van het stelsel.
Het stelsel van openbare bibliotheken baseert zich op gemeenschappelijk aanvaarde inhoudelijke beginselen en gestandaardiseerde uitvoeringsmethoden en -technieken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de voordelen van schaalvergroting. Gezien de ontwikkelingen in de informatievoorziening is verdergaande samenwerking in een netwerk op een bovenlokaal niveau een noodzakelijke voorwaarde om ook in de toekomst een bibliotheekvoorziening van voldoende kwaliteit in stand te kunnen houden. De lokale bibliotheek blijft daarbij uiteraard wel de toegangspoort tot informatie. Als onderdeel van het stelsel biedt de openbare bibliotheek een garantie voor de kwaliteit, onafhankelijkheid en diversiteit van de informatievoorziening. Dit aspect van het stelsel is bij de huidige groei en complexiteit van de bronnen van informatie voor de burger en andere gebruikers, zoals het onderwijs, in toenemende mate van belang. De Vereniging van openbare bibliotheken NBLC is te beschouwen als het beherende orgaan van het stelsel. In de voorstellen voor de aanpassing van de bestuurlijke organisatie van het bibliotheekbestel zal dit principe in bestuurlijke, organisatorische en inhoudelijke zin verder uitgewerkt moeten worden.
De adviesaanvraag van 23 maart 1998 geeft een aantal thema's weer, die voor de openbare bibliotheken als stelsel aan de orde zijn, zoals de ontwikkelingen op het terrein van de informatie- en communicatietechnologie, de veranderingen in het onderwijs, de behoefte aan levenslange culturele, educatieve en maatschappelijke vorming, het belang van onafhankelijke en pluriforme informatie als voorwaarde voor democratisch burgerschap, de grote betekenis van deelname aan het culturele leven door mensen (zie verder Adviesaanvraag stelsel en bestuurlijke structuur openbaar bibliotheekwerk van 23 maart 1998). In de concrete uitvoering op lokaal niveau is de vormgeving van deze algemeen geformuleerde thema's zeer uiteenlopend, afhankelijk van de lokale omstandigheden en mogelijkheden. Zo zal in een filiaal in de Schilderswijk in Den Haag de openbare bibliotheek zich in andere vorm manifesteren dan in een vestiging in Finsterwolde. De openbare bibliotheek is er voor alle mensen en voor iedereen. In haar functioneren moet de culturele diversiteit van de samenleving dan ook tot uitdrukking komen. De Stuurgroep geeft aan in welke functies, taken en diensten de openbare bibliotheek als publieke instelling van en voor iedereen dient te voorzien. Daarbij moet ook aandacht worden gegeven aan het belang van een multidisciplinaire aanpak. Binnen de bibliotheek moeten de verschillende dragers als boeken, cd-rom, video, dvd en internet elkaar beïnvloeden en versterken, buiten de muren van de bibliotheek moet samenwerking tot stand komen met onder meer toneel-, muziek- en danspodia. Binnen dit inhoudelijke pakket kunnen differentiaties worden vastgesteld gerelateerd aan de omvang en capaciteit van de afzonderlijke vestigingen. Voor verschillende niveaus dienen aansluitende kwaliteitseisen te worden bepaald.
Met dit basisniveau van dienstverlening als uitgangspunt is de Stuurgroep in staat aan te geven wat de lokale bibliotheek op eigen kracht - gerelateerd aan het prestatievermogen - behoort uit te voeren. Hierop aansluitend kan worden vastgesteld voor welke taken en functies ondersteuning van of uitvoering door een hoger niveau noodzakelijk is. Daartoe behoren ook onderwerpen waarvan vaststaat dat ze alleen effectief kunnen zijn als ze collectief en eenduidig zijn geregeld, zoals een nationale bibliotheekpas en de toepassing van chipkaarten. Direct daaraan verbonden is de vraag hoe deze ondersteuning en uitvoering georganiseerd en bekostigd dient te worden. De inhoud is dus bepalend voor de structuur.
In de huidige situatie, en dat geldt naar verwachting nog sterker voor de toekomst, stuiten bibliotheken op beperkingen van de bestaande interne en bestuurlijke organisatie. De uitvoering kan niet of onvoldoende voldoen aan redelijke eisen van kwaliteit. Voor de oplossing van deze problematiek is een sturende rol van de bekostigende overheden noodzakelijk.
De Stuurgroep moet financieel en organisatorisch optimaal worden toegerust om deze taken te uitvoeren.
De Stuurgroep dient samengesteld te worden uit personen die in denken en positie in hoge mate onafhankelijk zijn, om te voorkomen dat deelbelangen van welke aard ook medebepalend worden voor het resultaat. Tegelijkertijd dient voor de samenstelling en taakopdracht van de Stuurgroep voldoende draagvlak aanwezig te zijn, om te bewerken dat de uiteindelijke voorstellen voldoende realiteitswaarde hebben om de steun van de betrokkenen te kunnen verwerven. Deze voorwaarden leiden tot het voorstel voor de volgende procedure:
De verantwoordelijke bewindspersoon, de staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, benoemt een onafhankelijke voorzitter, na consultatie van de meest betrokken partijen, VNG, IPO, en NBLC. Het NBLC is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel als geheel. Het vertegenwoordigt dus alle niveaus van het stelsel, de lokale bibliotheken en de provinciale en landelijke netwerken.
Op verzoek van en in overleg met de voorzitter dragen de betrokken partijen, in dit geval VNG, IPO, OCenW en NBLC, kandidaten voor de Stuurgroep voor. Deze leden worden voorgedragen op grond van bestuurlijke deskundigheid en ervaring. Kennis van en betrokkenheid bij de inhoudelijke problematiek is een belangrijke meewegende factor. De kandidaten nemen zitting zonder last of ruggespraak. Ze vertegenwoordigen niet rechtstreeks de betrokken partij, maar hebben er uiteraard wel binding mee. De Stuurgroep bestaat dus uit vijf leden, naast de onafhankelijke voorzitter vier leden.
Het lijkt reëel om een in de tijd relatief beperkte opdracht aan de Stuurgroep te verstrekken. Veel gegevens zijn immers al bekend, veel initiatieven zijn al in gang gezet. Het gaat eerder om het in een logisch en consistent verband brengen van het beschikbare materiaal, zonodig aangevuld met onderzoek en gegevens uit de lopende praktijk, dan om een blanco uitgangssituatie. Vooralsnog kan daarom worden uitgegaan van een periode van een halfjaar, ingaande op de dag van de installatie van de Stuurgroep. Indien de Stuurgroep gedurende deze periode tot de slotsom komt dat meer tijd nodig is om met voorstellen voor de herziening van de bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk te komen, zal de staatssecretaris van OCenW daarover een besluit nemen na overleg met VNG, IPO en NBLC.
Verwacht mag worden dat de werkzaamheden van de Stuurgroep een behoorlijke investering in menskracht en onderzoekswerk zullen vergen. Ambtelijke ondersteuning kan hierin niet voorzien. Dat betekent dat in de ondersteuning van de Stuurgroep voorzien zal worden door een externe projectleider die voor de duur van het project wordt aangetrokken. De projectleider stelt een werkprogramma voor de Stuurgroep op, met inbegrip van de noodzakelijk geachte onderzoeken en proefprojecten, en een begroting. Het onderzoeksprogramma kan gericht zijn op nieuwe ontwikkelingen, maar kan ook dienen om nader inzicht te krijgen in de huidige lokale, regionale en provinciale differentiaties, bijvoorbeeld t.a.v. de provinciale ondersteuning.
De Stuurgroep legt het werkprogramma voor aan de staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze stelt het programma en de begroting vast.
Rekening dient te worden gehouden met de volgende kostenposten:
Op grond van de bovenstaande uitgangspunten kan de volgende taakopdracht worden opgesteld.
Samenstelling stuurgroep
De stuurgroep bestaat uit:
De stuurgroep werd ondersteund door Twynstra Gudde Management Consultants, de heer drs. W.J. Ligthart en mevrouw ir. J.S.A. Waterreus.
De stuurgroep heeft haar activiteiten in drie fases opgesplitst.
In de Oriëntatiefase heeft de nadruk gelegen op de analyse van de huidige situatie. Aan de hand van desk-research en een groot aantal oriënterende gesprekken is een beschrijving gemaakt van het huidige stelsel en zijn de knelpunten en relevante ontwikkelingen in kaart gebracht.
In de Ontwikkelfase zijn drie scenario's voor het toekomstige openbare bibliotheekstelsel opgesteld. De scenario's zijn gebaseerd op een analyse van een aantal dienstverleningsconcepten uit andere branches en van de functionaliteiten van het bibliotheekwerk. Tijdens een werkconferentie op 11 oktober 1999 zijn de scenario's besproken met sleutelfiguren uit de bibliotheekwereld. Bovendien hebben geïnteresseerden op de scenario's kunnen reageren via de website van de stuurgroep.
In de Ontwerpfase is, op basis van de input uit de werkconferentie en van de website, het voorkeursscenario en het implementatietraject ontwikkeld. De bouwstenen daarvoor zijn getoetst in een tweede werkconferentie op 2 februari 2000.
Tijdens de Oriëntatiefase bleek dat de stuurgroep niet over actuele, betrouwbare kwantitatieve gegevens over de bibliotheekbranche in zijn geheel kon beschikken. Daarom heeft de stuurgroep zich genoodzaakt gezien een aanvullend financieel onderzoek te laten uitvoeren. Dit onderzoek is uitgevoerd door het bureau Horlings, Brouwer & Horlings gedurende de Ontwikkel- en Ontwerpfase. Het onderzoek raakte ernstig vertraagd door een geringe respons door de aangeschreven bibliotheken. Een significant aantal bibliotheken bleek niet bereid een bijdrage aan het onderzoek te leveren. De bibliotheken die wel reageerden, hadden over het algemeen meer tijd nodig om de gevraagde gegevens te genereren. Door de vertraging in het financiële onderzoek hebben de werkzaamheden van de stuurgroep meer tijd in beslag genomen dan gepland.
De stuurgroep moet uit deze ervaring concluderen dat een verbetering van de brancheinformatie absoluut noodzakelijk is.
De stuurgroep bepleit de ontwikkeling van een benchmark. Dit onderzoek kan daar de basis voor vormen.
De rapportage is beschikbaar bij het ministerie van OCenW.
| Openbaar bibliotheekwerk | De voorziening die ervoor zorgt dat de burger in Nederland een vrije en onbeperkte toegang heeft tot kennis, wetenschap, cultuur en informatie. |
| Openbaar bibliotheekstelsel | De verzameling organisaties die gezamenlijk het openbare bibliotheekwerk verzorgen. |
| Kernfuncties | Bibliotheekfuncties die elke basisbibliotheek dient te vervullen. |
| Primaire kernfuncties | Inhoudelijke functies die elke basisbibliotheek dient te vervullen (de bedrijfsprocessen). |
| Ondersteunende kernfuncties | Functies die vervuld moeten worden om de uitvoering van de primaire functies mogelijk te maken. |
| Aanvullende functies | Aanvullende bibliotheekdiensten; over de vervulling daarvan maakt de basisbibliotheek afspraken met diens subsidiërende gemeente(n) of met derden. |
| Front office | Een bibliotheekvestiging waar directe dienstverlening aan de gebruiker plaatsvindt. |
| Back office | Verzamelnaam voor alle activiteiten die binnen het openbaar bibliotheekstelsel moeten worden uitgevoerd om de directe dienstverlening aan de gebruiker mogelijk te maken. |
| Basisbibliotheek | Een zelfstandige, veelal privaatrechtelijke organisatie met één of meer vestigingen die in één of meer gemeenten een bibliotheekvoorziening aanbiedt. |
| Regionaal facilitair bibliotheekbedrijf | Een zelfstandige, privaatrechtelijke organisatie die vanuit één of meer provincies ondersteunende bibliotheekproducten en -diensten aanbiedt aan basisbibliotheken en derden. |
Hierna zijn de kernfuncties uitgewerkt in taken. Bij elke taak is aangegeven waar deze plaatsvindt (locatie):
Verder is aangegeven waar de primaire verantwoordelijkheid ligt voor de uitvoering van de betreffende taak (verantw.):
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • opstellen collectieprofielen | bo | BB |
| • opbouwen en beheren collectie op basis van collectieprofielen | bo | BB |
| • opbouwen en beheren achtergronden wisselcollecties | bo | BB |
| • opbouwen en beheren collectie voor de wetenschappelijke steunfunctie (WSF) | bo | enkele BB'en |
| • coördineren wetenschappelijke steunfunctie | bo | BV |
| • opbouwen en beheren website 'www.bibliotheek.nl' | bo | BV |
| • inkopen, bibliotheekklaar maken en distribueren van media en databestanden | bo | NBD |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • mogelijkheid bieden tot het raadplegen door het publiek van de collectie | fo | BB |
| • mogelijkheid bieden tot het raadplegen van de landelijke catalogus en website 'www.bibliotheek.nl' | fo | BB |
| • onderhouden bibliobus-dienst | fo & bo | BB |
| • beantwoorden vragen van gebruikers "op maat" (informatiefunctie) en indien nodig de gebruikers doorverwijzen naar overheids-, culturele, educatieve of welzijnsinstellingen | fo & bo | BB |
| • opbouwen en beheren landelijke catalogus | bo | BV |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • registreren in- en uitschrijving lid in landelijk ledenbestand | fo & bo | BB |
| • voorlichten van nieuwe leden over de mogelijkheden van de openbare bibliotheek | fo | BB |
| • uitreiken Nationale Bibliotheekkaart | fo | BB |
| • ontwikkelen Nationale Bibliotheekkaart | bo | BV |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • uitlenen en innemen media | fo | BB |
| • reserveren media | fo | BB |
| • uitlenen en innemen media op basis van internet-bestellingen (internet-bezorgdienst) | bo | BB |
| • aanvragen media bij collega-bibliotheken en verwerken van de media-aanvraag | fo & bo | BB |
| • vervoeren media / Openbaar Bibliotheek Leenverkeer (OBL) | bo | BB |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • opstellen en uitvoeren van inhoudelijk, financieel, organisatie- en personeelsbeleid | bo | BB |
| • aangaan en onderhouden contractrelatie met subsidiënt(en) en derden | bo | BB |
| • aanleveren van informatie ten behoeve van branchevergelijkingen | bo | BB |
| • verzamelen management-en branche-informatie | bo | BV |
| • zorgdragen voor kwaliteitstoezicht | bo | BV |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • opstellen en uitvoeren van marktbeleid voor specifieke gebruikersgroepen | bo | BB |
| • opstellen en uitvoeren communicatiebeleid | bo | BB |
| • aangaan en onderhouden contacten met individuele gebruikers en gebruikersgroepen | bo | BB |
| • uitvoeren markt- en gebruikersonderzoek | bo | BB |
| • opstellen en uitvoeren landelijk promotie-en communicatiebeleid | bo | BV |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • ontwikkelen van producten | bo | BB |
| • aanbieden opleidingen en trainingen | bo | BV |
| • aanbieden adviesdiensten | bo | BV |
| • stimuleren van innovatie en ontwikkeling | bo | BV |
| • ontwikkelen landelijke benchmark | bo | BV |
| taak | locatie | verantw |
|---|---|---|
| • inkopen ICT-infrastructuur | bo | BB |
| • ontwikkelen ICT-protocollen | bo | BV |
De aanvullende functies betreffen aanvullende bibliotheekdiensten. Een basisbibliotheek en diens subsidiërende gemeente(n), c.q. derden kunnen over de vervulling hiervan afspraken maken.
Taken kunnen zijn: