BlinfoTec

Informatie voor computergebruikers met een visuele handicap.


Inhoud| Zoeken| Nieuws| BlinfoTalk| bijdragen| Contact


Advies Cultuurnota 2001-2004

Fonds voor het Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden (FBBS)


Inleiding.

De blindenbibliotheekvoorziening is pas in een laat stadium als onderdeel van het openbare bibliotheekwerk onder de Wet op het Specifieke Cultuurbeleid gebracht; voordien viel de bibliotheeksector onder de Welzijnswet. De Stichting Fonds voor het Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden (FBBS) is eind 1994 in het leven geroepen om ‘vergaande samenwerking’ tot stand te brengen tussen de vijf in Nederland bestaande instellingen voor de blindenlectuurvoorziening. Hoewel de samenwerking tussen deze instellingen al decennia lang niet goed functioneerde, werd een eerder door oud-minister d’Ancona voorgestelde fusie destijds door de Tweede Kamer verworpen. Daarop werd onder voorzitterschap van mr B. Biesheuvel een fonds in het leven geroepen, dat tot taak had de instellingen te financieren en de gewenste samenwerking zo nodig dwingend op te leggen. Van de vijf genoemde instellingen zijn er drie voor de algemene lectuurvoorziening - van resp. neutrale (Den Haag), rooms-katholieke (Nijmegen) en protestantse (Ermelo) signatuur - een voor nieuwe media (Grave) en een voor de voorziening van studie- en vakliteratuur (Amsterdam). Het gebruikersbelang wordt behartigd door de Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang, met name in het Platform Lectuurvoorziening, het voormalige Gebruikersplatform. Dit wordt door het Fonds gesubsidieerd. Het beleidsplan 2001 – 2004 van het Fonds concentreert zich, evenals het beleidsplan 1997 -2000, op de primaire opdracht: het financieren van de blindenbibliotheekvoorziening en het bevorderen van de interne samenhang, de samenwerking en de doelmatigheid van de voorziening. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de externe samenwerking, met name met de openbare bibliotheken in de vorm van het project Anders Lezen
Punten.

Onlangs heeft het Bureau Driessen een rapport uitgebracht over ‘Produkten van blindenbibliotheken voor nieuwe doelgroepen’, waarin de mogelijkheden worden geschetst voor een uitbreiding van de doelgroep met dyslectici, afasiepatiënten en andere leesgehandicapten. Met de voorziening is een bedrag van ruim ƒ26.000.000,- op jaarbasis gemoeid. Er wordt geen verhoging van het budget gevraagd. In 1999 heeft de commissie Bibliotheken in het kader van haar monitoring-taak geprobeerd bezoeken te brengen aan alle vijf instellingen, maar dat voornemen stuitte op formele bezwaren bij zowel het fonds als het ministerie. Een informatieve bijeenkomst met de instellingen, die hiervoor in de plaats zou komen, werd door de organiserende instellingen afgezegd. Met de voorzitter en de directeur van het FBBS heeft de commissie Bibliotheken in 1999 en 2000 gesprekken gehad.

Beoordeling.

Wat de interne samenwerking – die van de blindenbibliotheken onderling - betreft moet geconstateerd worden dat deze nog steeds geen solide vorm heeft gekregen. Een in 1998 gevormde Federatie van blindenbibliotheken is door onderlinge onenigheid mislukt. Uiteindelijk heeft het Fonds in 1999 een Besluit uitgevaardigd waarin met name op het gebied van de (re)productie een taakverdeling dwingend wordt voorgeschreven, maar het aantal ingediende bezwaarschriften (die overigens niet ontvankelijk zijn verklaard) geeft te denken over de loyale uitvoering daarvan.
Het probleem ligt vooral in het feit dat het om autonome instellingen gaat, waar het Fonds moeilijk dwingend kan ingrijpen. In het genoemde Besluit worden alle gemeenschappelijke taken onder het gezag van een nieuwe rechtspersoon (een Federatie van Nederlandse Blindenbibliotheken-nieuwe stijl, FNB) gebracht, die mettertijd - het streven is in 2001 - de plaats moet innemen van het huidige Fonds. Hiertoe behoren ook de taken van Amsterdam (studieliteratuur) en Grave (gesproken lectuur en andere nieuwe media), die als zelfstandige instellingen worden opgeheven. De drie overblijvende, identiteitsgerichte instellingen behouden hun specifieke bibliotheektaken, zoals collectionering/selectie, literatuurverstrekking en voorlichting. De al voor 1999 toegezegde evaluatie heeft nog niet plaats gevonden, maar dat wekt in het licht van de turbulente ontwikkelingen geen bevreemding. Wel geeft dit aanleiding tot een oordeel van de Raad over de voorziening als geheel, dat – het kan nauwelijks verbazen – hard uitpakt. Deze kritiek richt zich eerder op de uitvoerende instellingen zelf dan op het Fonds als besturende instantie. In de afgelopen vier jaar is er nauwelijks concrete voortgang geboekt met de voornemens die al in het eerste beleidsplan van het Fonds van 1994 waren verwoord. Van de krachtige maatregelen die toen in het vooruitzicht werden gesteld, is nog weinig terecht gekomen, of het zou de opheffing van de twee genoemde instellingen moeten zijn. Het is echter de vraag of de keuze van de op te heffen instellingen nu wel de meest logische is: beide instellingen - Amsterdam en Grave -onderscheid(d)en zich althans door een duidelijkere taakstelling dan de overblijvende drie instellingen (Den Haag, Nijmegen en Ermelo), die zich hoogstens onderscheiden naar identiteit of signatuur. In de structuur van het reguliere bibliotheekwerk is dit onderscheid al jaren geleden opgeheven, zonder nadeel voor de kwaliteit of de dienstverlening aan het publiek, integendeel. De Raad acht het niet terecht dat de overheid onverminderd middelen blijft geven aan een gemeenschapsvoorziening die niet bereid is als eenheid te functioneren. Nog steeds blijkt dat niet het gebruikersbelang maar het instellingsbelang in het door de instellingen gevoerde beleid prevaleert. Zo is met het voortbestaan van de drie ‘loketten’ één van de primaire faciliteiten voor een geïntegreerde dienstverlening, een centraal inlichtingennummer, weer van het tapijt verdwenen. Ook wat betreft de externe samenwerking is er in de afgelopen vier-jarenperiode veel te weinig voortgang geboekt. De Raad rekent hiertoe in het algemeen de klantgerichtheid en in het bijzonder de samenwerking met het reguliere bibliotheekwerk en de verbreding van de doelgroep tot alle leesgehandicapten. Het beleid blijft steken in goede voornemens en onderzoeksrapporten en belooft weinig meer dan een geleidelijke aanpak. Wat nodig is, is een vloeiende aansluiting tussen de gespecialiseerde voorziening van de blindenbibliotheken enerzijds en de categorale dienstverlening voor leesgehandicapten van de openbare bibliotheek anderzijds. Daarmee kunnen ook de mogelijkheden van moderne ICTtoepassingen voor visueel gehandicapten, dyslectici en afasiepatiënten beter worden onderzocht en ontwikkeld.
In zijn vorige advies schreef de Raad: ‘Nog afgezien van de te verwachten voordelen van de [externe] samenwerking zelf, krijgt wellicht ook het interne samenwerkingsproces hierdoor een extra impuls.’ Geen van beide elementen, noch de interne noch de externe samenwerking, zijn wezenlijk opgeschoten. Nu de interne samenwerking nog steeds moeizaam verloopt en er geen garanties zijn voor een fundamentele verbetering, moet er prioriteit gegeven worden aan de externe samenwerking, zowel wat betreft de branche-ontwikkeling als nieuwe doelgroepen als nieuwe media en ICT. Daarbij moet een geformaliseerde inbreng van de kant van de Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang en andere doelgroeporganisaties gewaarborgd zijn. Voor de versterking van de voorziening is één geïntegreerde (lees: gefuseerde) organisatie nodig die tezamen met het NBLC belast wordt met de – interne en externe - samenwerking en met gezamenlijke projecten op velerlei gebied. Door integratie in de reguliere bibliotheekstructuur kan er ook verlichting komen van de zware topstructuur van de voorziening, met een Fondsbestuur, een Federatiebestuur, een Raad van Toezicht en drie onafhankelijke stichtingsbesturen. Op zichzelf is het recente Besluit van het Fonds in de gegeven omstandigheden niet verkeerd: vanaf 1 april 2000 worden de productie en reproductie onder één autoriteit gebracht, er komt een onafhankelijke directie en het budget voor de afzonderlijke instellingen wordt sterk ingeperkt. Maar wat betreft de (re)productie is de taakverdeling over de uitvoerende instellingen nog zeer gecompliceerd en het (voort)bestaan van drie loketten inefficiënt, waardoor het welslagen nog te zeer afhankelijk blijft van de goede wil van alle instellingen. In de visie van de Raad hebben deze ondanks hun nobele doelstellingen hun energie te veel en te eenzijdig gestoken in onderlinge competentiestrijd in plaats van deze aan te wenden voor verbetering van de dienstverlening en efficiencyverhoging. Gebruikers moeten nu van drie instellingen lid worden om optimaal aan hun behoeften te kunnen voldoen. Via het openbare bibliotheeknetwerk hebben zij nog nauwelijks toegang. De Raad kan niet anders oordelen dan dat de sector profiteert van de uit zijn aard nogal geïsoleerde positie waarin hij verkeert en de daarmee verbonden overheidsmiddelen. De overheid mag deze situatie niet langer laten voortduren; het is nu tijd voor de organisatievorm, die - een deel van - de Tweede Kamer in 1993 nog te drastisch vond: een fusie van de totale voorziening. Hierdoor kan er niet alleen een einde komen aan de onderlinge onenigheid maar kunnen ook aanzienlijke kwaliteitsverbetering en efficiencywinst gerealiseerd worden. Verder moet het blindenbibliotheekwerk, evenals andere vormen van categorale bibliotheekvoorziening, in het reguliere bibliotheekwerk geïntegreerd worden. Binnen de verenigingsstructuur van het NBLC kan het wellicht een aparte positie krijgen, maar het zal in elk geval moeten participeren in gemeenschappelijke groepen en projecten die zich richten op samenwerking en verbetering van de dienstverlening, door middel van kwaliteitseisen, netwerkvorming en toepassing van ICT. Er zal een brede dienstverlening ten behoeve van grotere groepen gebruikers tot stand moeten komen en produkten van de blindenbibliotheken zullen op grotere schaal via de openbare bibliotheken beschikbaar moeten komen. Gekeken moet worden welke – centrale - taken in samenwerking met de Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD) uitgevoerd kunnen worden en op welke terreinen en wijze de samenwerking met de wetenschappelijke bibliotheeksector (UKB, KB, PICA) vorm kan krijgen. Dit alles moet onder verantwoordelijkheid van het huidige Fonds, het NBLC en de Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang in een nieuw beleidsplan worden verwerkt met een duidelijk voortgangstraject voorzien van meetpunten. Dit nieuwe plan moet als uitgangspunt voor de financiering in de komende periode worden gehanteerd.

Conclusie en advies.

Ondanks de ingrijpende veranderingen die de Raad voorstelt, mogen de gebruikers hiervan niet de dupe worden. Dezen zijn op dit moment nog te zeer afhankelijk van de bestaande instellingen. Weliswaar acht de Raad – evenals overigens het Fonds – besparingen op termijn haalbaar, maar voor de realisering van de voorgestelde maatregelen en de verbreding van de dienstverlening zullen in de komende periode de huidige middelen benodigd zijn. Voor ‘nieuwe activiteiten’ (samenwerking met andere bibliotheken, doelgroepenbeleid, ontwikkeling ICT, onderzoek) moet een vast bedrag oplopend tot circa vijf miljoen gulden per jaar worden geoormerkt. Daarbij moet worden samengewerkt met het NBLC en de NBD. Specifieke identiteitsgerichte activiteiten behoren in principe uit eigen fondsen te worden betaald. De Raad adviseert het subsidie voor de komende Cultuurnotaperiode in principe op het bestaande peil te handhaven, maar de besteding te verbinden aan een nieuw beleidsplan in de bovenvoorgestelde zin. Het subsidie zal moeten worden uitgekeerd in jaarlijkse tranches volgens een strak voortgangstraject.

huidige subsidie ƒ26.196.000,-
gevraagde subsidie ƒ26.196.000,-
beoordeling subsidie continueren


Inhoud| Zoeken| Downloads| bijdragen| Nieuws
Disclaimer, Copyright ©2002 - 2009 RMPRO All rights reserved.
Naar Vorige Pagina